Het is niet mijn leerling, dus ik zeg niks | Stop Pesten NU

Het is niet mijn leerling, dus ik zeg niks

Hoe schoolbreed zwijgen pesten in stand houdt

Voor wie is dit artikel? Voor groepsleerkrachten, mentoren, vakdocenten, conciërges, onderwijsondersteuners en schoolleiders die zich afvragen:

  • Waarom pesten doorgaat, ook als het in ‘mijn’ klas goed lijkt te gaan
  • Wat ik moet doen als ik pesten zie buiten mijn eigen groep
  • Hoe we als school kunnen zorgen dat niemand meer wegkijkt

Het misverstand: pesten is andermans verantwoordelijkheid

Veel leraren denken (uit gewoonte of werkdruk):

  • “Het is niet mijn leerling, dus ik bemoei me er niet mee.”
  • “Dat is iets voor de mentor / teamleider / zorgcoördinator.”
  • “Ik geef alleen deze klas één uurtje per week.”

Maar:

  • Pesten stopt niet bij de klasdeur. En het begint ook zelden precies daar waar jij op dat moment lesgeeft.
  • Als leerlingen merken dat volwassenen niet ingrijpen omdat het ‘niet hun taak’ is, leren ze één ding: pesten loont zolang je de juiste plek kiest.

Wat zegt het onderzoek?

Beau Oldenburg (RUG) en collega’s laten zien:

  • Pesten ontstaat en verspreidt zich schoolbreed: via klaswissels, gangen, online, pauzes, kleedkamers.
  • Als meerdere volwassenen signalen negeren, voelen slachtoffers zich structureel onveilig.
  • Leerlingen testen bewust grenzen tussen verschillende professionals: “Bij hem kan ik het maken, bij haar niet.”

“Een schoolbrede sociale norm is alleen mogelijk als elke professional zich verantwoordelijk voelt.”

– Oldenburg et al., 2021

Wat er misgaat in de praktijk

1. Vakdocenten of invalleerkrachten kijken weg

  • “Ik geef ze maar één uur per week, ik ga daar niet tussen zitten.”

➤ Gevolg: pesters weten precies wie zwijgt.

2. Niet melden bij collega’s

  • “Misschien zie ik het verkeerd.”
  • “Het is niet mijn klas.”

➤ Gevolg: signalen blijven verspreid en onzichtbaar voor de mentor.

3. Vertrouwen op beleid zonder actieve betrokkenheid

  • “We hebben een antipestprotocol.”
  • “Dat doet de zorgcoördinator.”

➤ Gevolg: niemand voelt zich echt verantwoordelijk.

Wat werkt wél: actieve gedeelde verantwoordelijkheid

Een veilige school ontstaat pas als iedere volwassene zichtbaar dezelfde norm uitdraagt:

“Bij ons hoort iedereen erbij — overal. En als we iets zien, zeggen we iets.”

Het maakt dan niet uit of je een vakdocent bent, een onderwijsassistent, iemand uit de OOP of de schoolleider. Elke volwassene heeft impact.

Praktische voorbeelden per niveau

PO – Primair Onderwijs

Situatie: Je bent vakdocent bewegingsonderwijs. Tijdens de gymles wordt een leerling systematisch niet gekozen bij teamspelletjes.

Wat werkt:

  • Stop de werkvorm, benoem neutraal:

“Ik zie dat dezelfde leerling steeds als laatste overblijft. Dat hoort niet bij hoe wij samenwerken in de klas.”

  • Leg de groepsnorm opnieuw uit:

“Iedereen hoort erbij — ook hier, in de gymzaal.”

  • Koppel terug aan de groepsleerkracht met concrete observatie, geen oordeel.

VO – Voortgezet Onderwijs

Situatie: Als vakdocent Nederlands zie je in de pauze dat een leerling wordt lastiggevallen door een groepje uit een andere klas.

Wat werkt:

  • Stap in — direct, neutraal, zichtbaar.

“Stop hiermee. Dit is niet hoe we hier met elkaar omgaan.”

  • Koppel het terug aan mentoren of zorgcoördinatie.
    Geef door wat je zag, ook als je denkt dat het ‘klein’ was.
  • Benoem in jouw les regelmatig de groepsnorm:

“Niet alleen ín deze klas — maar op deze hele school hoort uitsluiten er niet bij.”

MBO – Middelbaar Beroepsonderwijs

Situatie: Tijdens stagebezoeken hoor je dat een student wordt buitengesloten in de groepsapp, maar je bent niet zijn SLB’er.

Wat werkt:

  • Spreek het aan bij de BPV-begeleider én bij je collega-SLB’er:

“Ik hoorde iets zorgelijks, ik vind dat we daar samen naar moeten kijken.”

  • Koppel het aan professionele ontwikkeling:

“Ook dit gedrag telt mee in hoe we je functioneren beoordelen.”

  • Gebruik je lesmoment (bijv. burgerschap) om de norm schoolbreed te bespreken.

Mini-checklist: hoe creëer je gedeeld eigenaarschap op school?

  1. Benoem pestgedrag, óók buiten je eigen klas
  2. Laat leerlingen merken dat iedereen mag melden bij iedereen
  3. Maak gedrag bespreekbaar onder collega’s: “Wat doen wij als vakdocent?”
  4. Herhaal de norm, ook als je het maar kort benoemt
  5. Zeg wat je ziet, niet wat je denkt of voelt

Inzichten van leerlingen (VO en MBO): Wat werkt, wat werkt niet?

Wat leerlingen zeggen dat níet werkt:

  • “Docenten doen niks als je niet bij hen in de klas zit.”
  • “De wiskundedocent zegt: praat er maar met je mentor over.”
  • “Als je iets zegt, word je raar aangekeken: waarom bemoei jij je ermee?”

Wat volgens hen wél helpt:

  • “Als een leraar uit een andere klas het ook zegt, weet je: ze vinden het allemaal niet oké.”
  • “Als een docent zegt: kom naar mij toe als je iets ziet, dan weet je dat je ergens terecht kunt.”
  • “Leraren die het hardop zeggen in de klas, dat helpt meer dan regels in de schoolgids.”