Waarom het benoemen van groepsrollen cruciaal is — en hoe je dat goed doet
In dit artikel:
- Wat groepsrollen bij pesten zijn (wetenschappelijk uitgelegd)
- Waarom het benoemen en bespreken van deze rollen noodzakelijk is om pesten echt te stoppen
- Wat de risico’s zijn van fout benoemen of veralgemeniseren
- Wat leerlingen vertellen over hoe ze zichzelf zien in deze rollen
- Hoe je groepsrollen bespreekbaar maakt in PO, VO en MBO
- Inclusief gesprekskaarten, werkbladen en begeleidende instructies
Wat zegt de wetenschap?
Pesten is géén probleem tussen twee personen — het is een groepsproces.
Onderzoekers als Beau Oldenburg (Rijksuniversiteit Groningen) en anderen beschrijven dat in elke groep rondom pesten vaste rollen ontstaan, vaak zonder dat leerlingen het zelf doorhebben.
Deze rollen zijn:
- De pester
- De assistent – helpt actief mee, vaak om stoer te lijken
- De versterker – lacht mee, moedigt aan
- De buitenstaander – kijkt weg, grijpt niet in
- De verdediger – neemt het op voor de gepeste
- Het doelwit – wordt gepest
Sleutelinzicht: groepsdruk zorgt ervoor dat de meeste leerlingen niet verdedigen, ook al zouden ze dat zelf eigenlijk willen.
Wat gaat er vaak mis in de praktijk?
- Leraren benoemen alleen ‘de pester’ en ‘het slachtoffer’
- Of ze zeggen: “Iedereen moet zich gewoon aan de regels houden”
- Groepsrollen blijven onbesproken, dus de patronen blijven bestaan
Maar: als je de rollen niet herkent, kun je het groepsproces niet doorbreken.
Hoe herkennen leerlingen zichzelf?
Veel leerlingen herkennen zich in:
- de versterker (“ik lachte wel, maar ik bedoelde het niet zo”)
- de buitenstaander (“ik durfde niks te zeggen”)
- de verdediger (“ik probeerde het, maar niemand deed mee”)
Uit gesprekken met jongeren:
- “Ik dacht: als ik er iets van zeg, gaan ze mij pakken.”
- “Ik wist niet dat ik juist daardoor meedeed.”
- “Ik voelde me schuldig, maar ook bang.”
Wat kun je als docent wél doen?
- Maak de rollen expliciet – zonder te beschuldigen
“Wisten jullie dat bij pesten er altijd meerdere rollen zijn? Zelfs als je niks doet, ben je al onderdeel.”
- Laat leerlingen zelf reflecteren
- Welke rol herken jij?
- Wat zou je anders willen doen als het nog eens gebeurt?
- Creëer een nieuwe norm:
“In deze klas grijpen we wél in, of melden we het.”
- Gebruik duidelijke taal:
“De sterkste leerling is degene die opkomt voor een ander, niet degene die anderen kleiner maakt.”
Wat helpt leerlingen om te handelen?
- Weten dat ze niet alleen staan (samen iets zeggen of melden)
- Voorbeelden van zinnen die je kunt gebruiken
- Keuze uit laagdrempelige acties:
- “Ik vind dit niet grappig”
- “Zullen we iets anders gaan doen?”
- Melden bij een volwassene
Wat kun jij morgen al anders doen?
- Introduceer de rollen in een klassengesprek
- Laat leerlingen zich bewust worden van hun gedrag en de groepsdruk
- Bespreek wat je als klas wilt afspreken als het weer gebeurt

