Huilen op een bankje. Wat deed de school aan voorkoming van pesten | Stop Pesten NU

Huilen op een bankje. Wat deed de school aan voorkoming van pesten

Toen wij naar scholen voor onze kinderen gingen kijken, waren er op de open dagen altijd veel ouders met vragen over pesten. Wat deed de school aan voorkoming van pesten, hoe ging de school met pesten om, wérd er gepest op school en was er – ik was onder de indruk dat een van de vaders dat woord zo casual hanteerde – een ‘pestprotocol’ op school?

De directrice van een van de scholen zei dat het echte keiharde pesten volgens haar niet het meest voorkomende probleem was. Zij zei: ‘Waar je vaker mee te maken hebt, is meidenvenijn.’

Die school kozen we uiteindelijk, want die directrice leek me een scherpe observator.

Meidenvenijn. Jongens hebben weer hun eigen manieren; vaak gaat dat meer met vechten en roepen gepaard.


Ik ben zelf een meid geweest, heb een meid gebaard, heb op school gezeten met meiden en ik heb met een groep – oudere – meiden een blad voor andere oudere meiden gemaakt, dus ik heb op een kantoor met bijna alleen vrouwen gewerkt, met één verdwaalde man ertussenin die dat niet erg leek te vinden.

Ik heb trouwens ook op kantoren gewerkt met mannen, maar het venijn herken ik uit die tijd bij het vrouwenblad.

Ik weet nog dat ik op sollicitatiegesprek kwam. Omdat het een modeblad was, had ik de ochtend voor het gesprek al mijn kleren op mijn bed gegooid en na een urenlang zenuwslopend proces van deduceren en reduceren de perfecte outfit uitgekozen. Waarop de hoofdredactrice mij vroeg: ‘Wij zijn een blad over mode… Ben jij daar eigenlijk wel in geïnteresseerd?’

Het was geen pesten, maar het was wel een beetje hard. Voor mij. Met die stapel op mijn bed.

Later werd het venijniger, en ik herinner met dat ik, na een verbale intimidatiesessie omdat ik niet mee was gegaan op een vrijwillige weekenduitje met het team, het gebouw verliet om buiten op een bankje te gaan zitten huilen. Als je dit punt in je carrière bereikt hebt, moet je op zoek naar een andere baan, en dat heb ik daarna ook al snel gedaan.

Ik ben zelf trouwens ook venijnig geweest. Bevriende collega’s onder tafel geschopt om te lachen om een belachelijk idee dat een ander tijdens een vergadering opperde. Geroddeld. Blikken gewisseld met de collega tegenover me als een anders op kantoor iets doms zei.

En al die tijd zag ik dat niet als venijn of pesten, gewoon als het kantoorleven, terwijl ik, toen ik dus eenmaal moeder was en scholen ging bekijken, niets liever wilde horen dan dat elke vorm van gepest of plagerij op die school niet zouden voorkomen.

Ik denk dat dat kwam doordat ik pesten alleen associeerde met school. Terwijl mensen er nooit mee stoppen. Echt nóóit; in augustus verscheen er nog een nieuwsbericht dat bejaarden in bejaardentehuizen elkaar vaak pesten. Een voorbeeld was, ik verzin dit niet: de ander blokkeren met een rollator.

Volgens een pestexpert kwam dat door het zogenoemde zondebokfenomeen; als mensen (en dieren!) als groep noodgedwongen samen zijn, ‘op school, op het werk, in gevangenissen’, dan gaan ze slachtoffers zoeken.

Noodgedwongen samenzijn, het is misschien niet de leukste manier om werk te omschrijven, maar hij is toch vrij adequaat.

En noodgedwongen samenzijn is nu eenmaal wat de mens van zijn geboorte tot vaak zijn dood veel doet.

Laten we dan maar erkennen dat we noodgedwongen samen zijn. En erkennen dat we er pestkoppen van kunnen worden. En proberen daar wat aan te doen.

Want als we dan toch veertig uur per week noodgedwongen samen zijn, moeten we er het beste van maken.

 

Bron Arboportaal Ministerie Sociale Zaken en Werkgelegenheid