Doel: Samen nadenken over waar de grens ligt.
Benodigd: Bord, plakbriefjes of een touw in de klas.
Opdracht
- Teken op het bord een lijn van 0 (gewoon leuk) tot 10 (heel naar).
- Lees situaties voor, laat leerlingen aangeven waar zij het op de lijn zouden zetten. Laat daarna bespreken waarom.
Situaties:
- Iemand noemt je per ongeluk “sloom” als je langzaam loopt.
- Iemand noemt je elke dag een rare bijnaam.
- Je doet iets stoms en iemand zegt: “Zo ken ik je weer!”
- Je mag nooit bij een groepje zitten in de pauze.
- Iemand maakt een grapje over je brood, en zegt daarna: “Grapje!”
Voorbeeldverwerking:
- Gebruik stickers, cijfers of gewoon vingers opsteken.
- Bespreek waarom leerlingen het verschillend inschatten.
- Sluit af met: “Je hoeft geen reden te geven om iets niet leuk te vinden.”

