Doel: Bespreken wat leerlingen meemaken als het gaat om ‘positieve sfeer houden’ terwijl er pesten speelt. Doorbreken van zwijgcultuur.
Stellingen (mentimeter / kaarten / hand opsteken):
- “In deze klas wordt niet gepest.”
- “Docenten praten liever over leuke dingen dan over wat er misgaat.”
- “Als je iets zegt over pesten, vinden anderen je een snitch.”
- “Soms zie ik dingen gebeuren, maar ik weet niet wat ik moet doen.”
Nabespreking (docentinstructie):
“Ik wil niet dat we alleen praten over wat goed gaat, maar ook wat wringt. Wat hebben jullie nodig om iets te kunnen zeggen als het misgaat?”
Laat de klas brainstormen:
- Welke zinnen kun je gebruiken als je iemand wil helpen?
- Wat zou je willen dat een docent doet?
Voorbeelden van gezamenlijke afspraken:
- “We maken geen grappen over iemands uiterlijk, ook niet voor de grap.”
- “Als iemand iets aankaart, lachen we diegene niet uit.”
- “Als je iets ziet wat niet oké is, vertel je het aan een docent die je vertrouwt.”
(Niet alleen mentor – elke docent telt!)
Voorbeeldantwoorden van leerlingen (die je mag noemen):
“Als ik zie dat iemand genegeerd wordt, probeer ik even contact te maken.”
“Ik durf het zelf niet te zeggen, maar ik zou het bij de concierge of de muziekdocent melden.”

