Doel: leerlingen laten nadenken over wat gedrag betekent binnen een groepsproces.
Situatie:
“Iemand maakt in de klas een harde grap over een ander. De klas lacht. Jij ook.”
Vragen:
- Waarom lach je mee?
- Wat gebeurt er als je niks zegt?
- Wat zou je kunnen doen zónder de held te spelen?
Toelichting docent:
Deze opdracht helpt om het ‘meelachen’ en ‘niets doen’ niet te veroordelen, maar te duiden. Van daaruit ontstaat ruimte voor verandering.
Check-in stellingen (eens/oneens/twijfel):
- Ik kan hier zeggen wat ik echt vind
- Er zijn onderwerpen waar je beter over zwijgt
- De sfeer hier is ‘oké’, maar niet veilig
- Als er iets naars gebeurt, weet ik wat ik kan doen
- Ik voel me verantwoordelijk voor de sfeer in onze klas
Gebruik 2-3 stellingen om een gesprek te starten.
Gespreksonderwerp: Intentie of effect?
Stelling: “Het was maar een grapje, ik bedoelde het niet zo.”
Gespreksvragen:
- Kun je iemands pijn vermijden door te zeggen dat het niet zo bedoeld was?
- Moet de ander jouw intentie snappen, of is jouw gedrag genoeg reden om het bespreekbaar te maken?

