Hoe kleine acties pesten kunnen versterken of stoppen
Herkenbaar uit de praktijk
Tijdens het buitenspelen maakt een leerling steeds opmerkingen over het voetbalspel van Ravi. Een paar kinderen lachen. Twee leerlingen kijken naar elkaar, maar zeggen niets. Iemand mompelt: “Doe normaal”, maar loopt daarna weg. Ravi wordt vervolgens niet meer aangespeeld. Wanneer de leerkracht vraagt wat er gebeurde, zegt de groep: “Niks, we waren gewoon aan het spelen.”
Toch gebeurde er veel. De opmerkingen, het lachen, het zwijgen en het niet meer aanspelen beïnvloedden samen wat er in de groep ontstond. Niet alleen degene die de opmerkingen maakte had invloed. Ook de leerlingen die lachten, wegkeken, stil bleven of Ravi hadden kunnen helpen, speelden een rol.
Wat leren leerlingen?
Na deze les kunnen leerlingen:
- uitleggen waarom pesten een groepsproces is;
- verschillende rollen van omstanders herkennen;
- benoemen hoe lachen, zwijgen en wegkijken pestgedrag kunnen versterken;
- minstens vier veilige manieren noemen om als helper te handelen;
- een passende interventiezin kiezen voor een pestsituatie;
- uitleggen dat hulp halen geen klikken is;
- één concrete actie formuleren waarmee zij bijdragen aan een veilige groep.
Waarom deze les?
Bij pesten zijn vaak meerdere leerlingen aanwezig. Omstanders kunnen het gedrag bewust of onbewust versterken, bijvoorbeeld door te lachen, mee te doen, niets te zeggen of degene die wordt buitengesloten niet te helpen. Omstanders kunnen de situatie ook veranderen door steun te geven, de groepsnorm zichtbaar te maken of hulp van een volwassene te halen.
Onderzoek in Canadese basisscholen liet zien dat leeftijdgenoten bij het merendeel van de geobserveerde pestsituaties aanwezig waren. Wanneer zij ingrepen, was dit in veel situaties effectief. Ander onderzoek laat zien dat leerlingen om verschillende redenen niet ingrijpen, bijvoorbeeld uit angst zelf doelwit te worden, onzekerheid over wat zij moeten doen of de gedachte dat het niet hun verantwoordelijkheid is. Daarom oefenen leerlingen in deze les niet alleen met “stop zeggen”, maar ook met indirecte en veilige manieren van helpen.
Doelgroep
Groep 6, 7 en 8 van het primair onderwijs.
Wanneer inzetten?
Deze les kan worden ingezet:
- als preventieve les aan het begin van het schooljaar;
- wanneer leerlingen vaak lachen om kwetsende opmerkingen;
- wanneer buitensluiten of negeren in de groep voorkomt;
- wanneer leerlingen zeggen dat zij “er niets mee te maken hebben”;
- na een pestsituatie, mits individuele gebeurtenissen of leerlingen niet herkenbaar worden besproken;
- als onderdeel van een lessenserie over sociale veiligheid.
Praktische informatie
Onderdeel | Informatie |
|---|---|
Duur | 55 minuten |
Doelgroep | Groep 6 tot en met 8 |
Uitvoerder | Leerkracht, intern begeleider of pedagogisch professional |
Benodigde materialen | Dit lesdocument, bord of digibord, papier en pennen |
Groepsindeling | Individueel, tweetallen en groepjes van drie of vier |
Werkvormen | Stellingenspel, casusanalyse, omstanderchallenge en individuele reflectie |
Voorbereiding | Lees de casus en het antwoordmodel vooraf door. Schrijf de vier handelingsroutes op het bord. |
Wetenschappelijke onderbouwing
Pesten bestaat niet alleen uit gedrag tussen degene die pest en degene die wordt gepest. Het vindt plaats binnen een sociale groep. Leeftijdgenoten kunnen pestgedrag ondersteunen door mee te doen, te lachen of aandacht te geven. Ook passief blijven kan in de groep worden opgevat als toestemming.
Canadese onderzoekers observeerden pestsituaties op schoolpleinen. Leeftijdgenoten waren bij een groot deel van de situaties aanwezig. Zij grepen relatief weinig in, maar wanneer zij dit wel deden, stopte de situatie in meer dan de helft van de geobserveerde gevallen. Dit onderstreept dat omstanders invloed hebben, maar ook handelingsvaardigheden nodig hebben.
Nederlands onderzoek van Rambaran, Dijkstra en Veenstra beschrijft pesten als een groepsproces waarin relaties en vriendschappen een rol spelen. Dat betekent dat een aanpak niet uitsluitend gericht moet zijn op individuele leerlingen. Ook groepsnormen, status, vriendschappen en reacties van klasgenoten zijn van belang.
Onderzoek naar omstandergedrag laat daarnaast zien dat leerlingen niet altijd rechtstreeks durven in te grijpen. Angst voor negatieve reacties, statusverlies of zelf doelwit worden kan hen tegenhouden. Daarom worden in deze les meerdere veilige handelingsmogelijkheden aangeboden.
Lesopbouw
Tijd | Onderdeel | Werkvorm |
|---|---|---|
0–5 min. | Introductie en veiligheidsafspraak | Klassikale instructie |
5–12 min. | Wat doet de groep? | Stellingenspel |
12–18 min. | Uitleg omstanderrollen | Interactieve uitleg |
18–33 min. | Casus: Het voetbalteam | Groepsanalyse |
33–45 min. | De Omstanders Challenge | Samenwerkingsopdracht |
45–51 min. | Werkblad: Mijn veilige route | Individuele verwerking |
51–55 min. | Evaluatie en afsluiting | Exitvraag |
Volledige les
1. Introductie en veiligheidsafspraak – 5 minuten
Sprekerstekst
“Vandaag onderzoeken we iets wat bij pesten vaak wordt vergeten. Wanneer iemand wordt buitengesloten of steeds wordt uitgelachen, zijn er meestal meer kinderen in de buurt. Sommige kinderen lachen mee. Andere kinderen kijken weg. Weer andere kinderen voelen dat het niet goed is, maar weten niet wat ze kunnen doen. Al die reacties hebben invloed.
We gaan vandaag geen namen of echte gebeurtenissen uit onze klas bespreken. We werken met een verzonnen situatie. Daardoor kunnen we veilig nadenken en oefenen. Je hoeft tijdens deze les ook niet te vertellen of jij zelf iets hebt meegemaakt. Heb je na de les wel iets dat je wilt bespreken, dan kun je naar mij toe komen.
De belangrijkste boodschap van vandaag is: je bent niet verantwoordelijk voor het pestgedrag van een ander, maar je hebt vaak wel invloed op wat de groep daarna doet.”
Docentinstructie
Leg vast dat leerlingen geen namen noemen en geen echte situaties naspelen. Onderbreek onmiddellijk wanneer leerlingen een klasgenoot herkenbaar beschrijven.
Passende interventiezinnen
- “We bespreken het gedrag, niet de naam van een leerling.”
- “Dit klinkt alsof het over een echte klasgenoot gaat. We stoppen hier en bespreken dat later apart.”
- “Je hoeft hier niets persoonlijks te vertellen.”
- “Hulp halen is geen klikken wanneer iemand zich niet veilig voelt.”
Observatiepunten
Let op leerlingen die:
- gespannen of stil worden;
- opvallend hard lachen;
- meteen een specifieke klasgenoot aankijken;
- zeggen dat ingrijpen “verraden” of “snitchen” is;
- aangeven dat volwassenen toch niets doen.
Noteer signalen voor een individueel gesprek na de les. Bespreek persoonlijke situaties niet klassikaal.
2. Stellingenspel: Wat doet de groep? – 7 minuten
Vertel dat leerlingen bij iedere stelling met hun duim reageren:
- duim omhoog: eens;
- duim opzij: twijfel;
- duim omlaag: oneens.
Benadruk dat zij hun antwoord tijdens het gesprek mogen veranderen.
Stelling 1
“Alleen degene die een nare opmerking maakt, heeft invloed op het pesten.”
Antwoordmodel: Oneens.
- Uitleg: Ook lachen, aanmoedigen, delen, zwijgen, wegkijken en buitensluiting accepteren beïnvloeden de groepssituatie. Die reacties kunnen het gedrag aantrekkelijker, normaler of gemakkelijker maken.
- Veelgemaakte denkfout: “Ik deed zelf niets, dus ik had geen invloed.”
- Verdiepingsvraag: “Wat kan stilte betekenen voor degene die de opmerking maakt?”
- Mogelijk antwoord: Dat niemand bezwaar heeft, dat het blijkbaar grappig is of dat het gedrag geaccepteerd wordt.
Stelling 2
“Je bent alleen een helper wanneer je hardop ‘stop’ zegt.”
Antwoordmodel: Oneens.
- Uitleg: Rechtstreeks ingrijpen is één mogelijkheid. Een leerling kan ook naast iemand gaan staan, afleiden, steun geven, anderen meenemen of hulp halen.
- Veelgemaakte denkfout: “Wie niet rechtstreeks durft in te grijpen, kan niets doen.”
- Verdiepingsvraag: “Welke actie kan veilig zijn wanneer je bang bent?”
- Mogelijke antwoorden: Een leerkracht halen, samen met een vriend reageren, later steun geven of op afstand melden wat er gebeurt.
Stelling 3
“Wanneer je hulp haalt bij een volwassene, ben je aan het klikken.”
Antwoordmodel: Oneens.
- Uitleg: Klikken is iets vertellen om een ander onnodig in de problemen te brengen. Hulp halen is iets vertellen om onveiligheid te stoppen of iemand te beschermen.
- Veelgemaakte denkfout: “Kinderen moeten problemen altijd zelf oplossen.”
- Verdiepingsvraag: “Wanneer moet een volwassene zeker worden ingeschakeld?”
- Mogelijke antwoorden: Bij bedreiging, geweld, herhaling, machtsverschil, online verspreiding, angst, vernedering of wanneer een leerling niet veilig kan ingrijpen.
Stelling 4
“Eén leerling kan nooit verschil maken tegen een hele groep.”
Antwoordmodel: Oneens.
- Uitleg: Eén leerling kan de norm zichtbaar maken, steun bieden of anderen activeren. De leerling hoeft het probleem niet alleen op te lossen.
- Veelgemaakte denkfout: “Helpen heeft alleen zin als het pesten meteen volledig stopt.”
- Verdiepingsvraag: “Welk klein verschil kan al belangrijk zijn?”
- Mogelijke antwoorden: Iemand voelt zich minder alleen, een volwassene krijgt informatie, anderen durven mee te helpen of de groep merkt dat niet iedereen instemt.
3. Uitleg: de vier omstanderreacties – 6 minuten
Schrijf op het bord:
- versterken;
- volgen;
- wegblijven;
- helpen.
Sprekerstekst
“Omstanders reageren niet allemaal hetzelfde. Sommige leerlingen versterken het gedrag. Zij lachen, juichen, filmen, liken of moedigen aan. Sommige leerlingen volgen. Zij beginnen niet, maar doen later mee. Bijvoorbeeld door ook een bijnaam te gebruiken of iemand niet meer uit te nodigen.
Andere leerlingen blijven weg. Zij kijken, zwijgen of lopen door. Dat is begrijpelijk wanneer iemand bang of onzeker is. Toch kan die stilte door de groep worden gezien als toestemming.
Helpers proberen de situatie veiliger te maken. Dat kan direct, maar ook indirect. Een helper kan zeggen dat iets niet grappig is, naast iemand gaan staan, het onderwerp veranderen, steun geven of een volwassene inschakelen.
Een leerling kan in verschillende situaties verschillende rollen hebben. We plakken daarom geen vaste etiketten op personen. We onderzoeken gedrag en keuzes.”
Vier veilige handelingsroutes
Schrijf vervolgens op het bord:
- Stop: spreek het gedrag rustig aan.
- Steun: ga naar de leerling die geraakt wordt.
- Stuur: verander de situatie of neem anderen mee.
- Schakel hulp in: vertel concreet wat je zag of hoorde.
Voorbeeldzinnen
Stop
- “Dit is niet grappig.”
- “Laat dat.”
- “Zo praten we niet over elkaar.”
- “Hij heeft al gezegd dat hij dit niet wil.”
Steun
- “Kom, je kunt bij ons staan.”
- “Gaat het?”
- “Ik vond het niet oké wat er gebeurde.”
- “Je hoeft hier niet alleen mee te blijven.”
Stuur
- “Kom, we gaan alvast naar binnen.”
- “Wie doet mee met een ander spel?”
- “Laten we teams opnieuw indelen.”
- “Ik ga even naast haar zitten.”
Schakel hulp in
- “Ik zag dat dit vandaag drie keer gebeurde.”
- “Hij zei stop, maar de groep ging door.”
- “Ik weet niet hoe ik dit veilig kan stoppen.”
- “Kunt u meekomen? Iemand wordt buitengesloten.”
4. Casus: Het voetbalteam – 15 minuten
Casus
In de pauze spelen twaalf leerlingen voetbal. Amir en Bo bepalen meestal wie in welk team komt. Wanneer Ravi naar het veld loopt, zucht Bo hard en zegt: “Niet weer.” Twee kinderen lachen. Amir kiest de teams en noemt Ravi als laatste, hoewel Ravi vlak naast hem staat. Tijdens het spel krijgt Ravi bijna geen enkele pass. Als hij om de bal vraagt, rolt Bo met zijn ogen en zegt: “Dan zijn we hem meteen kwijt.” Noud herhaalt de zin met een overdreven stem. Een paar leerlingen lachen opnieuw. Sofia kijkt naar Ravi en lijkt iets te willen zeggen, maar kijkt daarna snel weg. Yara speelt Ravi één keer aan, waarna Amir tegen haar zegt: “Wil je soms verliezen?” Yara zegt niets meer en passt daarna alleen nog naar andere spelers. Ravi loopt na enkele minuten naar de rand van het plein. Niemand vraagt waarom hij stopt. Bo zegt: “Zie je wel, hij kan ook niet tegen een grapje.” Wanneer de bel gaat, loopt Sofia even naast Ravi, maar zij zegt niets omdat Amir en Bo vlak achter hen lopen. In de klas vraagt de leerkracht waarom Ravi zo stil is. Bo antwoordt direct: “Hij was gewoon chagrijnig omdat hij slecht speelde.”
Opdracht voor leerlingen
Verdeel de klas in groepjes van drie of vier. Laat ieder groepje de vragen beantwoorden. Geef acht minuten werktijd en bespreek daarna klassikaal.
Analysevragen
Vraag 1
Welke signalen laten zien dat dit waarschijnlijk meer is dan één onhandig grapje?
Antwoordmodel:
- Ravi wordt al vóór het spel negatief ontvangen.
- Hij wordt zichtbaar als laatste gekozen.
- Hij krijgt bijna geen passes.
- Er worden herhaaldelijk negatieve opmerkingen gemaakt.
- Meerdere leerlingen lachen of nemen de opmerking over.
- Ravi probeert mee te doen, maar wordt tegengewerkt.
- Wanneer Yara hem helpt, krijgt zij sociale druk.
- Ravi trekt zich terug.
- Niemand controleert hoe het met hem gaat.
- Bo bagatelliseert de situatie achteraf.
Uitleg: Een patroon van herhaling, uitsluiting, statusverschil en groepssteun kan wijzen op pesten. De leerkracht moet de situatie onderzoeken en niet uitsluitend afgaan op de uitleg dat het “een grapje” was.
- Veelgemaakte denkfout: “Omdat er voetbal wordt gespeeld, gaat het alleen om sportieve prestaties.”
- Verdiepingsvraag: “Wat zou de situatie anders maken wanneer Ravi één keer per ongeluk niet wordt aangespeeld?”
- Mogelijk antwoord: Eén gemiste pass zonder negatieve opmerkingen, herhaling of uitsluiting is niet hetzelfde als een groepspatroon.
Vraag 2
Welke leerlingen versterken het gedrag?
Antwoordmodel: Bo versterkt het gedrag door opmerkingen te maken en Ravi te kleineren. Noud versterkt het door de opmerking na te doen. De leerlingen die lachen geven aandacht en sociale beloning. Amir versterkt het door Ravi als laatste te kiezen, Yara onder druk te zetten en de groepsnorm te bepalen.
- Uitleg: Versterken gebeurt niet alleen door zelf een nare opmerking te maken. Lachen, herhalen en druk uitoefenen op helpers kunnen pestgedrag in stand houden.
- Veelgemaakte denkfout: Alleen Bo als verantwoordelijke aanwijzen.
- Verdiepingsvraag: “Welke reactie uit de groep geeft Bo waarschijnlijk het meeste vertrouwen om door te gaan?”
- Mogelijke antwoorden: Het lachen, het meedoen van Noud en het uitblijven van een duidelijke grens.
Vraag 3
Wat doet Yara en waarom is haar reactie begrijpelijk?
Antwoordmodel: Yara probeert Ravi te betrekken door hem de bal te geven. Na een negatieve reactie van Amir stopt zij daarmee. Haar reactie is begrijpelijk omdat zij mogelijk bang is om status te verliezen, uitgelachen te worden of zelf buitengesloten te raken.
- Uitleg: Begrip voor angst betekent niet dat stil blijven de beste oplossing is. Yara kan een veiligere route kiezen, bijvoorbeeld samen met anderen helpen of hulp halen.
- Veelgemaakte denkfout: Yara beschuldigen van lafheid.
- Verdiepingsvraag: “Wat had Yara na de pauze alsnog kunnen doen?”
- Mogelijke antwoorden: Ravi steun geven, de leerkracht vertellen wat er gebeurde of Sofia vragen samen iets te melden.
Vraag 4
Welke kleine actie had Sofia kunnen uitvoeren?
Antwoordmodel: Sofia had naast Ravi kunnen blijven lopen, kunnen vragen hoe het ging, later steun kunnen geven, Yara kunnen aanspreken of een leerkracht kunnen informeren.
- Uitleg: Een helper hoeft de groep niet alleen rechtstreeks tegen te spreken. Steun achteraf en hulp organiseren zijn ook waardevolle acties.
- Veelgemaakte denkfout: Denken dat helpen alleen telt wanneer Sofia voor de hele groep een grote toespraak houdt.
Vraag 5
Welke groepsnorm lijkt tijdens het voetbal te gelden?
Antwoordmodel: De norm lijkt te zijn dat Amir en Bo bepalen wie meetelt, dat lachen om Ravi toegestaan is en dat leerlingen die Ravi helpen het risico lopen zelf negatief te worden aangesproken.
- Uitleg: Groepsnormen bestaan uit verwachtingen over wat normaal, stoer, grappig of riskant is. Die normen kunnen veranderen wanneer meerdere leerlingen ander gedrag laten zien en volwassenen consequent reageren.
- Veelgemaakte denkfout: “Iedereen vindt Ravi vervelend.”
- Uitleg bij de denkfout: De casus laat vooral zien dat leerlingen zich aanpassen aan druk. Stilte of meelopen bewijst niet dat iedereen het gedrag werkelijk goedkeurt.
Vraag 6
Welke reactie van de leerkracht is passend?
Antwoordmodel: De leerkracht neemt het signaal serieus, spreekt Ravi veilig en afzonderlijk, verzamelt informatie bij meerdere betrokkenen, benoemt concreet gedrag, bewaakt de veiligheid en volgt de situatie op. De leerkracht laat de groep niet gezamenlijk bepalen of Ravi “tegen een grapje moet kunnen”.
Passende interventiezinnen voor de leerkracht:
- “Ik hoor dat er meerdere opmerkingen en momenten van buitensluiten waren. Dat ga ik verder onderzoeken.”
- “Of iets grappig is, wordt niet alleen bepaald door degene die het zegt.”
- “Ik wil van verschillende leerlingen afzonderlijk horen wat zij zagen.”
- “Niemand hoeft dit zelf op te lossen.”
- “We bespreken geen schuld in de hele groep. We zorgen eerst voor veiligheid.”
Veelgemaakte denkfout: De leerlingen direct samenbrengen om het “uit te praten”.
Uitleg: Bij mogelijk pesten kan sprake zijn van machtsverschil. Een gezamenlijk gesprek zonder voorbereiding kan extra druk leggen op de leerling die geraakt wordt.
5. De Omstanders Challenge – 12 minuten
Doel
Leerlingen oefenen met vier veilige handelingsroutes: Stop, Steun, Stuur en Schakel hulp in.
Docentinstructie
Lees steeds één situatie voor. Ieder groepje formuleert binnen één minuut vier reacties: één per handelingsroute. Laat daarna twee groepjes hun beste reactie delen.
Situatie A
Een leerling wordt bij een groepsopdracht steeds genegeerd. Wanneer zij een idee geeft, praten andere leerlingen erdoorheen. Eén leerling rolt telkens met zijn ogen.
Mogelijke antwoorden:
- Stop: “Wacht even, zij was nog aan het praten.”
- Steun: “Ik wil jouw idee wel horen.”
- Stuur: “Laten we iedereen om de beurt één idee laten geven.”
- Schakel hulp in: “Meester, het lukt ons niet om iedereen mee te laten doen. Kunt u helpen?”
Uitleg: Ook subtiel gedrag zoals onderbreken, negeren en oogrollen kan de status van een leerling aantasten.
Veelgemaakte denkfout: “Er is niets gezegd, dus er gebeurt niets.”
Situatie B
In een klasapp wordt een foto van een leerling gedeeld met een beledigende tekst. Verschillende kinderen sturen lachende emoji’s.
Mogelijke antwoorden:
- Stop: “Verwijder dit. Dit is niet oké.”
- Steun: Stuur de leerling privé: “Ik zag het. Ik vind het niet goed en ik help je.”
- Stuur: Reageer niet met emoji’s en vraag anderen het bericht niet verder te delen.
- Schakel hulp in: Bewaar bewijs zonder het verder te verspreiden en laat het aan een vertrouwde volwassene zien.
Uitleg: Liken, emoji’s plaatsen en doorsturen vergroten het publiek en kunnen het gedrag versterken.
Veelgemaakte denkfout: “Online telt het minder omdat het maar tekst of een foto is.”
Situatie C
Tijdens gym wordt dezelfde leerling voor de derde keer als laatste gekozen. Enkele kinderen beginnen al te zuchten voordat de teams compleet zijn.
Mogelijke antwoorden:
- Stop: “Dat zuchten is niet nodig.”
- Steun: “Kom bij ons team.”
- Stuur: “Kunnen we willekeurig teams maken?”
- Schakel hulp in: “Juf, dit gebeurt vaker en het voelt niet eerlijk.”
Uitleg: Steeds als laatste gekozen worden kan een zichtbaar signaal zijn van sociale uitsluiting.
Veelgemaakte denkfout: “Teams kiezen heeft niets met groepsveiligheid te maken.”
Situatie D
Een leerling noemt een klasgenoot steeds bij een bijnaam. De klasgenoot heeft al twee keer gezegd dat hij die naam niet leuk vindt.
Mogelijke antwoorden:
- Stop: “Hij heeft gezegd dat hij zo niet genoemd wil worden.”
- Steun: Gebruik bewust de echte naam van de leerling en ga naast hem staan.
- Stuur: Verander het gesprek en neem anderen daarin mee.
- Schakel hulp in: Meld bij de leerkracht dat de bijnaam ondanks een duidelijke grens doorgaat.
Uitleg: Zodra iemand aangeeft dat een bijnaam ongewenst is en anderen doorgaan, is “het is maar een grapje” geen geldige rechtvaardiging.
Veelgemaakte denkfout: “Iedereen gebruikt die naam, dus hij moet eraan wennen.”
6. Werkblad voor leerlingen – Mijn veilige route – 6 minuten
Naam: ______________________________ Datum: __________________
A. Kies een situatie
Kies één situatie uit de les:
☐ iemand wordt uitgelachen;
☐ iemand wordt buitengesloten;
☐ iemand wordt online vernederd;
☐ iemand wordt steeds genegeerd;
☐ iemand wordt tegen zijn of haar zin bij een bijnaam genoemd.
B. Mijn vier mogelijkheden
1. Stop – Wat kan ik rustig zeggen?
……………………………………………………………………………………………………..
……………………………………………………………………………………………………..
2. Steun – Hoe kan ik laten merken dat de ander niet alleen is?
……………………………………………………………………………………………………..
……………………………………………………………………………………………………..
3. Stuur – Hoe kan ik de situatie veranderen of anderen meenemen?
……………………………………………………………………………………………………..
……………………………………………………………………………………………………..
4. Schakel hulp in – Wat vertel ik concreet aan een volwassene?
……………………………………………………………………………………………………..
……………………………………………………………………………………………………..
C. Mijn veiligste keuze
De actie die voor mij het veiligst en meest haalbaar voelt is:
……………………………………………………………………………………………………..
Deze actie helpt de groep omdat:
……………………………………………………………………………………………………..
D. Mijn afspraak voor deze week
Deze week wil ik bewust:
☐ niet meelachen;
☐ niet doorsturen of liken;
☐ iemand betrekken;
☐ steun geven;
☐ hulp halen;
☐ iets anders, namelijk:
……………………………………………………………………………………………………..
Antwoordmodel bij het werkblad
Antwoorden kunnen verschillen. Een passend antwoord:
- maakt de situatie niet gevaarlijker;
- legt de verantwoordelijkheid niet bij de leerling die wordt gepest;
- benoemt concreet gedrag;
- laat afkeuring, steun of verantwoordelijkheid zien;
- bevat zo nodig hulp van een volwassene;
- vermijdt dreigen, schelden of fysiek ingrijpen.
Voorbeelden van sterke antwoorden
Stop: “Dit is niet grappig. Stop ermee.”
Steun: “Kom bij ons zitten. Ik vond het niet goed wat er gebeurde.”
Stuur: “Laten we opnieuw groepen maken zodat iedereen meedoet.”
Schakel hulp in: “Ik zag dat Noor vandaag drie keer werd uitgelachen. Ze zei stop, maar het ging door. Kunt u helpen?”
Antwoorden die bijsturing nodig hebben
“Ik sla degene die pest.”
Leg uit dat agressie de situatie onveiliger kan maken. Kies een verbale, sociale of volwassen interventie.
“Het slachtoffer moet harder terugdoen.”
Leg uit dat de verantwoordelijkheid voor stoppen niet bij de leerling mag worden gelegd die wordt geraakt.
“Ik vertel het alleen als het heel ernstig wordt.”
Bespreek dat vroeg melden herhaling kan voorkomen.
“Ik bemoei me nergens mee.”
Vraag welke indirecte en veilige actie wel mogelijk is, bijvoorbeeld steun geven of hulp halen.
7. Reflectie – 4 minuten
Laat iedere leerling de onderstaande vragen individueel beantwoorden.
- Welke reactie van een omstander vond jij vandaag het meest helpend?
- Welke reden kan iemand hebben om niet direct in te grijpen?
- Welke veilige actie past het beste bij jou?
- Wat hoop jij dat klasgenoten doen wanneer jij wordt buitengesloten?
- Welke groepsnorm willen wij in onze klas sterker maken?
Geef de leerlingen drie minuten schrijftijd. Vraag daarna maximaal drie vrijwillige reacties. Laat leerlingen geen persoonlijke pestsituaties in de groep delen.
8. Evaluatie en afsluiting – 4 minuten
Sprekerstekst
“Vandaag hebben we gezien dat pesten niet alleen gaat over twee personen. De groep geeft voortdurend signalen. Lachen kan gedrag versterken. Stilte kan worden opgevat als instemming. Een helper kan de situatie veranderen door te stoppen, te steunen, te sturen of hulp in te schakelen.
Je hoeft geen heldhaftige of gevaarlijke actie te ondernemen. Een kleine veilige actie kan al laten zien: in onze groep vinden we dit niet normaal. Hulp halen is geen klikken wanneer je probeert iemand veilig te houden.”
Exitvragen
Laat leerlingen met vingers antwoorden:
Eén vinger: Ik weet nog niet goed wat ik kan doen.
Twee vingers: Ik ken één manier om te helpen.
Drie vingers: Ik ken meerdere veilige manieren om te helpen.
Vier vingers: Ik kan ook uitleggen hoe omstanders de groepsnorm beïnvloeden.
Vraag daarna:
“Welke vier woorden helpen ons om de mogelijkheden te onthouden?”
Antwoord: Stop, Steun, Stuur en Schakel hulp in.
Observatiepunten voor de leerkracht
Let tijdens en na de les op:
- leerlingen die pestgedrag steeds als grap verdedigen;
- leerlingen die hulp halen gelijkstellen aan klikken;
- leerlingen die uitsluitend gewelddadige oplossingen noemen;
- leerlingen die zeggen dat volwassenen niet luisteren;
- leerlingen die zichtbaar spanning ervaren;
- groepjes waarin één leerling niet aan bod komt;
- leerlingen die veel kennis van een specifieke situatie lijken te hebben;
- leerlingen die zichzelf consequent verantwoordelijk maken voor het oplossen van pesten.
Vervolgactie bij een zorgsignaal
- Spreek de leerling afzonderlijk en rustig.
- Stel open, concrete vragen.
- Beloof geen geheimhouding die niet kan worden nagekomen.
- Leg uit welke vervolgstappen nodig zijn.
- Verzamel informatie bij betrokkenen afzonderlijk.
- Beoordeel herhaling, machtsverschil, groepsreacties en veiligheid.
- Leg afspraken en opvolgmomenten vast volgens het schoolbeleid.
- Controleer later opnieuw of de situatie daadwerkelijk is veranderd.
Docenttips
- Vraag niet klassikaal: “Wie pest er in deze klas?”
- Laat leerlingen elkaar niet aanwijzen als “pester”, “slachtoffer” of “meeloper”.
- Benoem gedrag in plaats van identiteit.
- Verwacht niet dat leerlingen altijd rechtstreeks ingrijpen.
- Geef leerlingen meerdere veilige handelingsroutes.
- Waardeer kleine helpende acties.
- Maak duidelijk dat volwassenen verantwoordelijk blijven voor veiligheid.
- Gebruik de taal van deze les later opnieuw: Stop, Steun, Stuur, Schakel hulp in.
- Controleer na enkele dagen of leerlingen de vier routes nog kunnen benoemen.
- Bespreek een melding nooit zichtbaar in het bijzijn van de hele groep.
Veelgemaakte denkfouten
Denkfout | Correctie |
|---|---|
“Ik deed niets, dus ik had geen rol.” | Ook zwijgen, lachen of wegkijken beïnvloedt de groepsnorm. |
“Het was maar een grapje.” | Een grap is niet onschuldig wanneer iemand aangeeft dat het pijn doet en het gedrag doorgaat. |
“Het slachtoffer moet voor zichzelf opkomen.” | De hele groep en de volwassenen dragen verantwoordelijkheid voor veiligheid. |
“Hulp halen is klikken.” | Hulp halen is bedoeld om onveiligheid te stoppen. |
“Ik moet degene die pest zelf confronteren.” | Direct aanspreken is maar één optie. Steunen, sturen en hulp halen zijn eveneens waardevol. |
“Eén actie lost toch niets op.” | Een kleine actie kan steun geven, de norm zichtbaar maken en anderen activeren. |
“Iedereen lachte, dus iedereen vond het grappig.” | Lachen kan ook voortkomen uit spanning, onzekerheid of groepsdruk. |
“Wie zwijgt, stemt altijd bewust in.” | Stilte kan uit angst ontstaan, maar heeft desondanks invloed op de situatie. |
Differentiatie
Voor groep 6
- Lees de casus langzaam voor.
- Beperk de analyse tot vier vragen.
- Laat leerlingen voorbeeldzinnen kiezen en afmaken.
- Gebruik vooral concrete situaties uit de pauze, gymles en groepsopdrachten.
Voor groep 7
- Laat leerlingen onderscheid maken tussen direct en indirect helpen.
- Vraag welke risico’s een omstander kan ervaren.
- Laat groepjes hun gekozen reactie verbeteren op veiligheid en haalbaarheid.
Voor groep 8
- Bespreek groepsstatus, sociale druk en online publiek.
- Laat leerlingen uitleggen hoe een individuele reactie een groepsnorm kan veranderen.
- Vraag om twee handelingsroutes te combineren, bijvoorbeeld eerst steun geven en daarna hulp inschakelen.
Voor leerlingen die moeite hebben met taal
Gebruik deze invulzinnen:
- “Stop met …”
- “Ik vind het niet goed dat …”
- “Kom, je kunt …”
- “Ik zag dat …”
- “Kunt u helpen omdat …”
Voor snelle leerlingen
Laat hen een vijfde situatie schrijven met:
- een subtiel signaal;
- een groepsreactie;
- vier veilige handelingsroutes;
- een voorbeeld van een onveilige reactie;
- een uitleg waarom die reactie onveilig is.
Checklist voorbereiding
☐ Ik heb de casus en het antwoordmodel gelezen.
☐ Ik heb de vier woorden Stop, Steun, Stuur en Schakel hulp in op het bord gezet.
☐ Ik weet welke leerling ik na de les mogelijk individueel wil spreken.
☐ Ik heb afgesproken dat leerlingen geen namen of echte klassituaties noemen.
☐ Ik heb papier en pennen klaargelegd.
☐ Ik weet welke interne stappen ik volg bij een melding van pesten.
☐ Ik plan een kort opvolgmoment om te controleren of de les wordt toegepast.

