PO gr 6-8 De onzichtbare rugzak | Week tegen Pesten

PO gr 6-8 De onzichtbare rugzak

Herkenbaar uit de praktijk

Milan komt op maandagochtend de klas binnen. Bij de kapstok hoort hij twee leerlingen fluisteren. Zodra hij dichterbij komt, stoppen zij met praten. Tijdens de rekenles wil Milan een antwoord geven, maar iemand zucht hard. Een paar leerlingen lachen zacht. In de pauze wordt hij niet gekozen voor het voetbalteam. Wanneer hij vraagt of hij mee mag doen, zegt een leerling: “De teams zijn al vol.” Er staan aan beide kanten maar vier spelers.

Na de pauze zegt Milan dat hij buikpijn heeft. De leerkracht vraagt of hij ziek is. Milan haalt zijn schouders op en zegt: “Het gaat wel.” Niemand ziet dat hij die ochtend al meerdere vervelende ervaringen in zijn denkbeeldige rugzak heeft gestopt.

Buitensluiten, negeren en uitlachen zijn niet altijd afzonderlijk groot of opvallend. Wanneer zulke ervaringen zich herhalen, kunnen zij zich opstapelen. Leerlingen kunnen zich daardoor steeds minder veilig, welkom of vrij voelen om mee te doen.

Wat neemt iemand mee wanneer buitensluiten zich blijft herhalen?

Wat leren leerlingen?

Na deze les kunnen leerlingen:

  1. uitleggen wat met de onzichtbare rugzak wordt bedoeld;
  2. herkennen dat kleine negatieve gebeurtenissen zich kunnen opstapelen;
  3. beschrijven welke invloed omstanders op die rugzak hebben;
  4. onderscheid maken tussen gevoelens, gedachten, gedrag en lichamelijke signalen;
  5. uitleggen waarom buikpijn, stilte of terugtrekken signalen kunnen zijn, maar geen bewijs vormen;
  6. minimaal vier acties noemen waarmee de groep de rugzak lichter kan maken;
  7. een concrete groepsafspraak formuleren die het gevoel van erbij horen versterkt.

Waarom deze les?

Leerlingen laten niet altijd rechtstreeks zien of vertellen dat zij worden buitengesloten of gepest. Mogelijke signalen zijn onder meer hoofdpijn of buikpijn, niet naar school willen, verlies van vrienden, terugtrekken uit sociale situaties en afnemende belangstelling voor school. Zulke signalen kunnen ook andere oorzaken hebben. Zij moeten daarom serieus worden genomen en zorgvuldig worden onderzocht. (StopBullying.gov)

Pesten kan bestaan uit iemand doelbewust uitsluiten, geruchten verspreiden, in het openbaar vernederen of anderen aansporen niet met iemand om te gaan. Herhaling en een werkelijk of ervaren machtsverschil zijn belangrijke kenmerken. (StopBullying.gov)

Onderzoek laat een samenhang zien tussen slachtofferschap door pesten en lichamelijke of psychosomatische klachten, waaronder buikpijn, hoofdpijn en slaapproblemen. Deze samenhang betekent niet dat iedere klacht door pesten wordt veroorzaakt. De klachten zijn wel een reden om zorgvuldig naar de sociale context te vragen. (PMC)

Doelgroep

Groep 6, 7 en 8 van het primair onderwijs.

Wanneer inzetten?

Deze les kan worden ingezet:

  • als preventieve les over groepsveiligheid;
  • wanneer leerlingen zeggen dat kleine opmerkingen “toch niet zo erg” zijn;
  • wanneer subtiele uitsluiting, negeren of oogrollen voorkomt;
  • wanneer een leerling zich terugtrekt of regelmatig alleen staat;
  • wanneer leerlingen lichamelijke of emotionele signalen beter moeten leren herkennen;
  • als vervolg op Les 3 – Zie jij wat er gebeurt?;
  • na een onveilige groepsperiode, zonder echte situaties klassikaal te behandelen.

Praktische informatie

Onderdeel

Informatie

Duur

55 minuten

Doelgroep

Groep 6 tot en met 8

Uitvoerder

Leerkracht, intern begeleider of pedagogisch professional

Benodigde materialen

Dit lesdocument, bord of digibord, losse blaadjes en pennen

Groepsindeling

Individueel, tweetallen en groepjes van drie of vier

Werkvormen

Rugzaksimulatie, casusanalyse, sorteeropdracht en groepschallenge

Voorbereiding

Lees de casus en antwoorden vooraf. Schrijf de woorden gevoel, gedachte, lichaam en gedrag op het bord.

Wetenschappelijke onderbouwing

Pesten is ongewenst gedrag waarbij sprake is van herhaling of een kans op herhaling en een verschil in macht. Dat machtverschil kan lichamelijk zijn, maar ook voortkomen uit populariteit, groepssteun of toegang tot gênante informatie. Sociale uitsluiting kan een vorm van pesten zijn wanneer iemand doelbewust en herhaald buiten de groep wordt gehouden. (StopBullying.gov)

Slachtofferschap door leeftijdgenoten hangt in onderzoek samen met internaliserende problemen en een verminderd gevoel van verbondenheid met school. Schoolverbondenheid betreft het gevoel dat een leerling ertoe doet, erbij hoort en steun ervaart. (PMC)

Een systematische review en meta-analyse vond verbanden tussen slachtofferschap door pesten en verschillende psychische en lichamelijke gezondheidsproblemen. Daarbij werden onder meer buikpijn, hoofdpijn en slaapproblemen gerapporteerd. Het gaat om verbanden op groepsniveau; een individuele klacht heeft altijd zorgvuldig onderzoek nodig. (PMC)

Niet alle kinderen die worden gepest vragen om hulp. Mogelijke redenen zijn schaamte, angst voor wraak, angst om als zwak of als klikspaan te worden gezien en het gevoel dat niemand hen begrijpt. Dat maakt het belangrijk dat volwassenen niet uitsluitend wachten tot een leerling zelf een duidelijke melding doet. (StopBullying.gov)

Lesopbouw

Tijd

Onderdeel

Werkvorm

0–5 min.

Introductie en veiligheidsafspraak

Klassikale instructie

5–13 min.

De rugzaksimulatie

Individuele verbeeldingsopdracht

13–20 min.

Gevoel, gedachte, lichaam en gedrag

Interactieve uitleg

20–36 min.

Casus: De volle rugzak van Lotte

Groepsanalyse

36–46 min.

Maak de rugzak lichter

Groepschallenge

46–52 min.

Werkblad: Wat draagt iemand mee?

Individuele verwerking

52–55 min.

Evaluatie en afsluiting

Exitopdracht

Volledige les

1. Introductie en veiligheidsafspraak – 5 minuten

Sprekerstekst

“Vandaag praten we over een rugzak die je niet kunt zien. In deze rugzak zitten geen boeken, broodtrommels of gymkleren. Er kunnen ervaringen in zitten: een vervelende opmerking, een oogrol, een bericht waarop expres niemand reageert of het gevoel dat er alweer geen plaats voor je wordt gemaakt.

Eén gebeurtenis kan klein lijken. Wanneer zulke gebeurtenissen vaker voorkomen, kan de rugzak steeds zwaarder voelen. Dat kan invloed hebben op hoe iemand denkt, voelt, reageert en zich lichamelijk voelt.

We gaan vandaag niet raden wat echte klasgenoten in hun rugzak hebben. We noemen geen namen en vertellen geen persoonlijke ervaringen wanneer we dat niet willen. We werken met verzonnen situaties. Wanneer je na de les wel iets wilt vertellen, kun je afzonderlijk naar mij toe komen.”

Veiligheidsafspraken

Schrijf op het bord:

  1. We noemen geen namen uit de eigen groep.
  2. We raden niet wat een klasgenoot voelt.
  3. We mogen passen bij persoonlijke vragen.
  4. We halen hulp wanneer iemand zich niet veilig voelt.

Docentinstructie

Gebruik de metafoor van de rugzak zorgvuldig. Zeg niet dat leerlingen verantwoordelijk zijn voor het “genezen” of “redden” van een klasgenoot. De groep kan steun geven en onveilig gedrag stoppen; volwassenen blijven verantwoordelijk voor onderzoek en bescherming.

Observatiepunten

Let op leerlingen die:

  • gespannen reageren op lichamelijke klachten;
  • zeggen dat een leerling zich “niet zo moet aanstellen”;
  • direct een klasgenoot noemen;
  • veel herkenning tonen bij terugtrekken of niet naar school willen;
  • aangeven dat hulp vragen niets oplevert;
  • zichzelf volledig verantwoordelijk maken voor het welzijn van anderen.

2. De rugzaksimulatie – 8 minuten

Docentinstructie

Laat leerlingen rechtop zitten en hun handen los op tafel leggen. Vertel dat zij hun ogen mogen sluiten, maar dat dit niet verplicht is.

Lees de gebeurtenissen langzaam voor. Na iedere gebeurtenis tekenen leerlingen op een blaadje een klein vierkantje. Zij schrijven nog niets op.

Sprekerstekst

“Stel je een verzonnen leerling voor die met een lege, onzichtbare rugzak naar school komt.

Bij de kapstok stoppen drie kinderen met praten zodra deze leerling dichterbij komt. Teken één vierkantje.

Tijdens de les rolt iemand met de ogen wanneer deze leerling een antwoord geeft. Teken een vierkantje.

Bij een groepsopdracht zegt iemand: ‘Jij kunt beter alleen de titel schrijven.’ Teken een vierkantje.

In de pauze blijkt er zogenaamd geen plaats meer te zijn in het spel. Teken een vierkantje.

Wanneer de leerling alleen staat, kijkt iemand wel, maar loopt daarna door. Teken een vierkantje.

Na school wordt in de groepsapp gevraagd wie er morgen wil afspreken. Op het antwoord van deze leerling reageert niemand. Teken een vierkantje.

De volgende ochtend vraagt een volwassene: ‘Alles goed?’ De leerling antwoordt: ‘Ja hoor.’”

Nabespreking

Vraag:

  • “Wat gebeurde er met het aantal vierkantjes?”
  • “Was iedere gebeurtenis afzonderlijk heel groot?”
  • “Waarom kan de combinatie toch zwaar worden?”
  • “Welke gebeurtenis werd mede mogelijk gemaakt door de reactie van de groep?”

Antwoordmodel

De gebeurtenissen stapelen zich op. Niet ieder moment is afzonderlijk even ernstig, maar herhaling en uitsluiting in verschillende situaties kunnen het gevoel veroorzaken dat iemand nergens veilig of welkom is.

De groep heeft invloed door:

  • te lachen;
  • te zwijgen;
  • niet te reageren;
  • geen plaats te maken;
  • het gedrag te accepteren;
  • niet te melden wat er gebeurt.

Veelgemaakte denkfout

“Een gebeurtenis telt alleen mee wanneer iemand scheldt of slaat.”

Correctie

Ook herhaald negeren, oogrollen, fluisteren en buitensluiten kunnen de sociale veiligheid aantasten.

3. Gevoel, gedachte, lichaam en gedrag – 7 minuten

Schrijf vier kolommen op het bord:

Gevoel

Gedachte

Lichaam

Gedrag

verdrietig

niemand wil mij erbij

buikpijn

stil worden

bang

straks gebeurt het weer

hoofdpijn

situatie vermijden

boos

dit is niet eerlijk

gespannen spieren

kort reageren

eenzaam

ik hoor er niet bij

slecht slapen

alleen gaan zitten

Sprekerstekst

“Een volle rugzak kan op verschillende manieren zichtbaar worden. Iemand kan zich verdrietig, bang, boos, beschaamd of eenzaam voelen. Dat zijn gevoelens.

Iemand kan gedachten krijgen zoals: ‘Niemand wil mij erbij’, ‘Het zal wel aan mij liggen’ of ‘Straks gebeurt het opnieuw’. Gedachten zijn niet automatisch feiten, maar ze kunnen wel sterk voelen.

Ook het lichaam kan reageren. Een leerling kan buikpijn, hoofdpijn, spanning of slaapproblemen ervaren. Zulke klachten kunnen veel verschillende oorzaken hebben. We mogen daarom nooit zeggen: ‘Je hebt buikpijn, dus je wordt gepest.’ We kunnen wel vragen: ‘Ik merk dat je vaak buikpijn hebt. Hoe gaat het met je op school?’

Ten slotte kan gedrag veranderen. Een leerling kan stiller worden, sneller boos reageren, niet willen meedoen of juist heel hard proberen erbij te horen. Ook dat is geen bewijs. Het is een signaal om met aandacht en zonder oordeel te onderzoeken.”

Controlevragen

Vraag 1

“Is buikpijn een bewijs van pesten?”

Antwoord: Nee.

Uitleg: Buikpijn kan veel oorzaken hebben. In combinatie met andere veranderingen kan het wel een belangrijk signaal zijn.

Vraag 2

“Is alleen willen zijn altijd hetzelfde als buitengesloten worden?”

Antwoord: Nee.

Uitleg: Sommige leerlingen kiezen bewust voor rust. Het verschil wordt duidelijker door te vragen of iemand alleen wil zijn of geen toegang tot de groep krijgt.

Vraag 3

“Kan boos gedrag ontstaan doordat iemand zich machteloos voelt?”

Antwoord: Ja, dat is mogelijk.

Uitleg: Boosheid kan een reactie zijn op spanning, onrecht of herhaalde uitsluiting. De oorzaak moet worden onderzocht zonder het boze gedrag automatisch goed te keuren.

4. Casus: De volle rugzak van Lotte – 16 minuten

Casus

Lotte zit in groep 7 en hield vroeger veel van school. De laatste weken vraagt zij op maandagochtend vaak of zij thuis mag blijven. Ze zegt dan dat ze slecht heeft geslapen of buikpijn heeft. In de klas zit Lotte naast Elena. Wanneer Lotte iets vraagt, antwoordt Elena soms pas nadat zij eerst naar Zoë heeft gekeken. Tijdens het zelfstandig werken fluisteren Elena en Zoë regelmatig met elkaar. Wanneer Lotte vraagt waarover zij praten, zegt Zoë: “Niet alles gaat over jou.” Elena lacht dan zacht. Bij het verdelen van groepjes zegt Zoë vaak snel welke leerlingen al bij haar horen. Lotte blijft daardoor regelmatig als laatste over. Tijdens de lunch zit Lotte aan dezelfde tafel. Toch reageren Elena en Zoë nauwelijks wanneer zij iets vertelt. Zodra een andere leerling begint te praten, luisteren zij wel. Wanneer Lotte haar broodtrommel laat vallen, zegt Zoë: “Dat is ook weer typisch.” Twee leerlingen lachen. In de pauze loopt Lotte achter Elena en Zoë aan. Zoë vraagt waarom zij steeds meeloopt. Lotte zegt dat zij gewoon mee wil doen. Elena zegt dat zij “even met z’n tweeën” willen zijn. De volgende dag spelen zij met vijf andere leerlingen, maar Lotte wordt opnieuw niet gevraagd. In de klas vraagt de leerkracht of er iets is. Lotte zegt dat alles goed gaat. Zij wil niet dat de leerkracht met Elena en Zoë praat, omdat zij bang is dat zij daarna helemaal niet meer met haar omgaan. Tijdens de taalles maakt Lotte fouten die zij eerder niet maakte. Wanneer de leerkracht haar helpt, begint zij plotseling te huilen en zegt dat zij gewoon moe is.

Opdracht

Verdeel de klas in groepjes van drie of vier. Laat ieder groepje de vragen beantwoorden. Geef negen minuten werktijd en bespreek daarna klassikaal.

Vraag 1 – Welke ervaringen kunnen in Lottes onzichtbare rugzak zitten?

Antwoordmodel

  • slecht of laat antwoord krijgen;
  • afhankelijk zijn van de reactie van Zoë;
  • fluisteren en niet weten of het over haar gaat;
  • de sarcastische opmerking “Niet alles gaat over jou”;
  • zacht lachen;
  • herhaald als laatste overblijven;
  • genegeerd worden tijdens de lunch;
  • uitgelachen worden wanneer iets valt;
  • horen dat haar gedrag “typisch” is;
  • niet mee mogen lopen;
  • zien dat anderen later wel mogen meedoen;
  • bang zijn dat hulp vragen de situatie erger maakt;
  • minder goed kunnen werken;
  • spanning en verdriet verbergen.
  • Uitleg De rugzak bevat niet letterlijk gebeurtenissen, maar staat voor de mogelijke emotionele belasting die ontstaat wanneer negatieve ervaringen zich herhalen.

  • Veelgemaakte denkfout “Lotte kiest er zelf voor om achter Elena en Zoë aan te lopen.”

  • Correctie Haar gedrag kan een poging zijn om contact en veiligheid te behouden. Dat maakt doelbewuste uitsluiting niet haar verantwoordelijkheid.

Vraag 2 – Welke gevoelens zou Lotte kunnen ervaren?

Antwoordmodel

Mogelijke gevoelens zijn:

  • verdriet;
  • onzekerheid;
  • angst;
  • eenzaamheid;
  • boosheid;
  • schaamte;
  • machteloosheid;
  • verwarring.
  • Uitleg We kunnen deze gevoelens niet met zekerheid invullen. Een volwassene vraagt Lotte zelf hoe zij de situatie ervaart.

  • Veelgemaakte denkfout “Wij weten precies wat Lotte voelt.”

  • Correctie Leerlingen mogen mogelijkheden noemen, maar geen gevoelens als vaststaand feit presenteren.

Vraag 3 – Welke gedachten zou Lotte mogelijk kunnen krijgen?

Antwoordmodel

  • “Ze willen mij niet meer.”
  • “Misschien ligt het aan mij.”
  • “Als ik iets vertel, wordt het erger.”
  • “Ik moet harder mijn best doen om erbij te horen.”
  • “Niemand merkt wat er gebeurt.”
  • “Ik kan beter niets meer zeggen.”

Uitleg Gedachten kunnen het gedrag beïnvloeden. Een leerling die verwacht opnieuw afgewezen te worden, kan zich terugtrekken of juist steeds sterker proberen aan te sluiten.

Vraag 4 – Welke lichamelijke en gedragsmatige signalen zijn zichtbaar?

Antwoordmodel

Lichamelijke signalen:

  • buikpijn;
  • slecht slapen;
  • vermoeidheid;
  • plotseling huilen.

Gedragsmatige of schoolse signalen:

  • niet naar school willen;
  • fouten maken die zij eerder niet maakte;
  • als laatste overblijven;
  • achter andere leerlingen aanlopen;
  • zeggen dat alles goed gaat terwijl er signalen zijn;
  • bang zijn voor ingrijpen door de leerkracht.
  • Uitleg Deze signalen kunnen met de sociale situatie samenhangen, maar kunnen ook andere oorzaken hebben. Ze moeten in samenhang worden onderzocht.

Vraag 5 – Welke rol speelt de groep?

Antwoordmodel

De groep beïnvloedt de situatie doordat:

  • Elena haar gedrag afstemt op Zoë;
  • twee leerlingen lachen om de opmerking;
  • andere leerlingen accepteren dat Lotte steeds overblijft;
  • niemand de ongelijkheid benoemt;
  • niemand Lotte zichtbaar uitnodigt;
  • de sociale invloed van Zoë niet wordt tegengesproken.
  • Uitleg De situatie wordt niet alleen gevormd door Zoë en Lotte. Ook Elena, de lachende leerlingen, de zwijgende leerlingen en mogelijke helpers beïnvloeden de groepsnorm.

  • Veelgemaakte denkfout “Alleen Zoë moet worden aangepakt.”

  • Correctie Het initiatief en de verantwoordelijkheid kunnen verschillen, maar duurzaam herstel vraagt ook aandacht voor meelopen, lachen, zwijgen, groepsnormen en veilig helpend gedrag.

Vraag 6 – Waarom vertelt Lotte mogelijk niet wat er gebeurt?

Antwoordmodel

Zij kan:

  • bang zijn dat de uitsluiting erger wordt;
  • bang zijn Elena en Zoë volledig kwijt te raken;
  • zich schamen;
  • twijfelen of het ernstig genoeg is;
  • denken dat volwassenen haar niet begrijpen;
  • niet als klikspaan gezien willen worden;
  • zichzelf de schuld geven.

Uitleg Kinderen melden pesten niet altijd uit zichzelf. De leerkracht moet daarom signalen serieus nemen en open, rustige vragen stellen. (StopBullying.gov)

Vraag 7 – Hoe kan de groep de rugzak lichter maken?

Antwoordmodel

Klasgenoten kunnen:

  • Lotte bewust uitnodigen;
  • plaats maken;
  • reageren wanneer zij iets vertelt;
  • stoppen met lachen;
  • benoemen dat een opmerking niet nodig is;
  • haar niet als laatste laten overblijven;
  • samen met haar een activiteit beginnen;
  • na een situatie steun geven;
  • concreet aan de leerkracht vertellen wat zij zien;
  • Zoë en Elena niet volgen wanneer zij anderen uitsluiten.

Vraag 8 – Wat moet de leerkracht doen?

Antwoordmodel

De leerkracht:

  1. neemt de signalen serieus;
  2. spreekt Lotte afzonderlijk;
  3. vraagt naar concrete situaties;
  4. bespreekt wat Lotte nodig heeft om zich veilig te voelen;
  5. legt uit dat volwassenen verantwoordelijkheid dragen;
  6. verzamelt afzonderlijk informatie bij betrokken leerlingen;
  7. observeert groepsmomenten;
  8. onderbreekt zichtbaar negeren, sarcasme en uitsluiting;
  9. werkt met de groep aan concrete normen;
  10. controleert herhaaldelijk of de situatie verandert.

Passende interventiezinnen

  • “Ik zie dat je de laatste tijd vaak buikpijn hebt en minder graag naar school komt. Ik wil graag begrijpen hoe het met je gaat.”
  • “Je hoeft dit niet alleen op te lossen.”
  • “Ik vertel je welke stappen ik neem en waarom.”
  • “Ik zie dat Lotte nog geen groep heeft. We zorgen dat niemand structureel overblijft.”
  • “Wanneer iemand praat, reageren we respectvol. Negeren en oogrollen maken deelname onveilig.”
  • “Ik kom hier morgen en volgende week opnieuw op terug.”

Veelgemaakte denkfout “De leerkracht moet beloven niets te doen omdat Lotte dat vraagt.”

Correctie De leerkracht kan geen volledige geheimhouding beloven wanneer een leerling mogelijk onveilig is. De leerkracht moet wel zo veel mogelijk samen met Lotte bespreken welke stappen nodig zijn.

5. De challenge: Maak de rugzak lichter – 10 minuten

Doel

Leerlingen bedenken acties die niet alleen één leerling troosten, maar ook de groepsnorm veiliger maken.

Docentinstructie

Geef ieder groepje één situatie. Laat hen vier acties bedenken:

  1. een actie vóór de situatie;
  2. een actie tijdens de situatie;
  3. een actie na de situatie;
  4. een actie van een volwassene.

Situatie A

Dezelfde leerling blijft bij groepsopdrachten vaak als laatste over.

Antwoordmodel

  • Vooraf: De leerkracht maakt wisselende groepen of gebruikt een neutrale indeling.
  • Tijdens: Een leerling zegt: “Wij hebben nog plaats.”
  • Na afloop: Een klasgenoot vraagt hoe de leerling het vond en meldt een patroon.
  • Volwassene: De leerkracht registreert en onderzoekt hoe vaak dit gebeurt.

Situatie B

In de pauze wordt niet gereageerd wanneer een leerling vraagt mee te doen.

Antwoordmodel

  • Vooraf: De groep spreekt af dat iedere vraag een duidelijk en respectvol antwoord krijgt.
  • Tijdens: Een leerling zegt: “Je kunt bij ons aansluiten.”
  • Na afloop: Een leerling geeft steun en meldt het negeren.
  • Volwassene: De pleinwacht observeert actief en organiseert veiligheid.

Situatie C

Een leerling maakt een fout en meerdere kinderen zuchten of lachen.

Antwoordmodel

  • Vooraf: De klas spreekt af dat fouten bij leren horen.
  • Tijdens: Een leerling zegt: “Iedereen maakt fouten.”
  • Na afloop: Een klasgenoot vraagt of het gaat.
  • Volwassene: De leerkracht onderbreekt het lachen en benoemt de groepsnorm.

Situatie D

In een groepsapp reageert niemand op de berichten van één leerling.

Antwoordmodel

  • Vooraf: Er zijn afspraken over reageren, toevoegen en verwijderen.
  • Tijdens: Een leerling reageert respectvol en doorbreekt de stilte.
  • Na afloop: Een klasgenoot vraagt privé hoe de leerling het ervaart.
  • Volwassene: Bij een patroon wordt bewijs veilig bekeken en wordt de situatie onderzocht.

Beoordelingscriteria

Een goede oplossing:

  • maakt deelname gemakkelijker;
  • stopt of vermindert groepsversterking;
  • is veilig voor de helper;
  • legt de verantwoordelijkheid niet bij de buitengesloten leerling;
  • betrekt zo nodig een volwassene;
  • verandert niet alleen het moment, maar ook de groepsnorm.

6. Werkblad voor leerlingen – Wat draagt iemand mee? – 6 minuten

Naam: ______________________________ Datum: __________________

Situatie

Tijdens de ochtend wordt Noah twee keer onderbroken. Bij het kiezen van tweetallen kijkt niemand hem aan. In de pauze vraagt hij of hij mee mag doen. Een leerling zegt dat het spel al begonnen is. Later vraagt de leerkracht waarom Noah alleen staat. Noah zegt: “Ik wilde gewoon even rust.”

A. Mogelijke inhoud van de rugzak

Schrijf drie ervaringen op die Noah die ochtend heeft meegemaakt.

  1. ………………………………………………………………………………………………..
  2. ………………………………………………………………………………………………..
  3. ………………………………………………………………………………………………..

B. Vier mogelijke reacties

Schrijf bij iedere categorie één mogelijke reactie. Let op: dit zijn mogelijkheden, geen zekere feiten.

Gevoel:

……………………………………………………………………………………………………..

Gedachte:

……………………………………………………………………………………………………..

Lichaam:

……………………………………………………………………………………………………..

Gedrag:

……………………………………………………………………………………………………..

C. Wat weten we nog niet?

……………………………………………………………………………………………………..

……………………………………………………………………………………………………..

D. Wat kan een klasgenoot doen?

……………………………………………………………………………………………………..

……………………………………………………………………………………………………..

E. Wat kan een volwassene vragen?

……………………………………………………………………………………………………..

……………………………………………………………………………………………………..

F. Welke groepsafspraak helpt?

……………………………………………………………………………………………………..

……………………………………………………………………………………………………..

Antwoordmodel bij het werkblad

Onderdeel A

Mogelijke antwoorden:

  • Noah wordt twee keer onderbroken.
  • Niemand kijkt hem aan bij het kiezen.
  • Hij wordt niet toegelaten tot het spel.
  • Hij staat later alleen.

Onderdeel B

Mogelijke antwoorden:

  • Gevoel: verdrietig, eenzaam, boos, onzeker of opgelucht wanneer hij werkelijk rust wilde.
  • Gedachte: “Niemand kiest mij”, “Ik vraag het niet nog een keer” of “Ik wil inderdaad even alleen zijn.”
  • Lichaam: spanning, buikpijn of geen lichamelijke reactie.
  • Gedrag: stil worden, alleen gaan staan, boos reageren of een andere activiteit kiezen.

Onderdeel C

We weten nog niet:

  • of Noah zelf alleen wilde zijn;
  • of dit vaker gebeurt;
  • hoe hij de situaties ervaart;
  • wat eraan voorafging;
  • waarom hij niet mocht meedoen;
  • of er sprake is van een machtsverschil;
  • wat andere leerlingen hebben gezien.

Onderdeel D

Een klasgenoot kan:

  • Noah laten uitpraten;
  • hem aankijken bij het kiezen;
  • hem uitnodigen;
  • vragen of hij alleen wil zijn;
  • later steun geven;
  • een patroon melden.

Onderdeel E

Mogelijke vragen:

  • “Wil je inderdaad even alleen zijn, of lukte het niet om aan te sluiten?”
  • “Hoe ging het kiezen van tweetallen?”
  • “Gebeurt dit vaker?”
  • “Wat zou jou nu helpen?”
  • “Voel je je veilig in de groep?”

Onderdeel F

Mogelijke groepsafspraken:

  • We laten elkaar uitpraten.
  • We reageren wanneer iemand vraagt mee te doen.
  • Niemand blijft structureel als laatste over.
  • We vragen of iemand alleen wil zijn in plaats van dit in te vullen.
  • We lachen niet wanneer iemand een fout maakt.
  • We melden herhaalde uitsluiting.

Beoordelingscriteria

Een sterk antwoord:

  • gebruikt voorzichtige taal;
  • maakt onderscheid tussen een mogelijkheid en een feit;
  • benoemt invloed van de groep;
  • bevat een concrete helpende actie;
  • maakt Noah niet verantwoordelijk voor het oplossen van de situatie.

7. Reflectie – 4 minuten

Laat iedere leerling de vragen individueel beantwoorden.

  1. Welke kleine gebeurtenis kan een rugzak zwaarder maken?
  2. Hoe kan zwijgen of wegkijken invloed hebben?
  3. Welke actie van een klasgenoot kan de rugzak lichter maken?
  4. Waarom mogen we niet zomaar invullen wat iemand voelt?
  5. Welke groepsafspraak vind jij het belangrijkst?

Geef leerlingen drie minuten schrijftijd.

8. Evaluatie en afsluiting – 3 minuten

Sprekerstekst

“De onzichtbare rugzak helpt ons begrijpen dat gebeurtenissen zich kunnen opstapelen. Een oogrol, een zucht of één keer niet gekozen worden lijkt misschien klein. Wanneer steeds dezelfde leerling dit opnieuw meemaakt, kan de combinatie zwaar worden.

We kunnen niet precies zien wat iemand voelt. We kunnen wel gedrag opmerken, zorgvuldig vragen stellen, steun geven en hulp inschakelen. De verantwoordelijkheid ligt niet alleen bij degene die een nare opmerking maakt of bij degene die wordt geraakt. Ook lachen, zwijgen, meelopen en helpen beïnvloeden de groepscultuur.

Een veilige groep maakt rugzakken niet altijd leeg, maar zorgt er wel voor dat leerlingen moeilijke ervaringen niet alleen hoeven te dragen.”

Exitopdracht

Laat iedere leerling één zin afmaken:

“Eén manier waarop onze groep een rugzak lichter kan maken, is …”

Observatiepunten voor de leerkracht

Let op:

  • leerlingen die kleine negatieve gedragingen sterk bagatelliseren;
  • leerlingen die lichamelijke klachten automatisch aan pesten koppelen;
  • leerlingen die uitsluiting herkennen maar geen volwassene durven inschakelen;
  • leerlingen die zeggen dat hulp vragen de situatie erger maakt;
  • leerlingen die zichzelf verantwoordelijk voelen om een ander volledig te helpen;
  • leerlingen die vaak als laatste worden gekozen;
  • groepjes die tijdens de les zelf iemand negeren;
  • leerlingen die zichtbaar emotioneel reageren.

Veelgemaakte denkfouten

Denkfout

Correctie

“Het zijn maar kleine dingen.”

Kleine gebeurtenissen kunnen door herhaling en combinatie zwaar worden.

“Buikpijn betekent dat iemand wordt gepest.”

Buikpijn kan veel oorzaken hebben en is een signaal om zorgvuldig te vragen.

“Wie niets zegt, heeft nergens last van.”

Leerlingen vertellen niet altijd uit angst, schaamte of onzekerheid.

“Wie alleen staat, wil altijd alleen zijn.”

Vraag of iemand rust kiest of geen toegang tot de groep krijgt.

“Een helper moet iemand gelukkig maken.”

Een helper kan steun geven en hulp organiseren, maar is niet verantwoordelijk voor herstel.

“Alleen degene die pest vult de rugzak.”

Ook lachen, negeren, meelopen en niet reageren kunnen bijdragen.

“Eén aardige actie lost het patroon op.”

Steun is belangrijk, maar een patroon vraagt om onderzoek en opvolging.

“De leerling moet leren minder gevoelig te zijn.”

De groepsnorm en het schadelijke gedrag moeten worden aangepakt.

Docenttips

  • Gebruik de rugzak als metafoor en niet als diagnose.
  • Zeg steeds “kan” of “mogelijk” bij gevoelens en klachten.
  • Vraag naar concrete gebeurtenissen.
  • Bespreek betrokken leerlingen afzonderlijk.
  • Beloof geen geheimhouding wanneer veiligheid in het geding is.
  • Vertel een leerling welke vervolgstappen u neemt.
  • Onderbreek subtiele uitsluiting direct en concreet.
  • Let op groepsmomenten zoals kiezen, samenwerken, pauze en online contact.
  • Plan opvolging; één gesprek is niet voldoende bij een mogelijk patroon.
  • Zorg dat een leerling niet zichtbaar afhankelijk wordt van één aangewezen helper.
  • Werk aan toegang tot de hele groep, niet alleen aan een nieuwe vriendschap.
  • Leg observaties feitelijk vast volgens het schoolbeleid.

Voorbeeldvragen voor een individueel gesprek

Met een leerling die mogelijk wordt buitengesloten

  • “Ik merk dat je de laatste tijd vaker alleen staat. Hoe is dat voor jou?”
  • “Zijn er momenten waarop jij wel alleen wilt zijn?”
  • “Zijn er momenten waarop je wilt meedoen, maar dat niet lukt?”
  • “Wat gebeurt er dan precies?”
  • “Wie zijn erbij?”
  • “Hoe reageren andere leerlingen?”
  • “Wat zou jou morgen veiliger laten voelen?”
  • “Bij welke volwassene wil je terechtkunnen?”

Met een omstander

  • “Wat heb je zelf gezien of gehoord?”
  • “Hoe vaak gebeurt dit?”
  • “Wat deed de groep?”
  • “Wat maakte het moeilijk om te reageren?”
  • “Welke veilige actie zou de volgende keer mogelijk zijn?”
  • “Welke hulp heb jij daarbij nodig?”

Met een leerling die heeft bijgedragen aan uitsluiting

  • “Ik zag dat je niet reageerde toen Noah vroeg mee te doen. Wat gebeurde daar?”
  • “Welke boodschap kreeg Noah door jullie reactie?”
  • “Hoe reageerden de andere leerlingen?”
  • “Welke invloed had dat op de groep?”
  • “Wat ga je de volgende keer concreet anders doen?”
  • “Hoe kunnen we ervoor zorgen dat herstel veilig is voor iedereen?”

Differentiatie

Voor groep 6

  • Werk met de vier categorieën gevoel, gedachte, lichaam en gedrag.
  • Behandel maximaal vijf casusvragen.
  • Bied voorbeeldwoorden aan.
  • Leg de nadruk op klas, plein, gym en groepswerk.

Voor groep 7

  • Laat leerlingen meerdere gebeurtenissen aan elkaar verbinden.
  • Bespreek het verschil tussen een signaal en bewijs.
  • Laat groepjes de invloed van zwijgende omstanders benoemen.

Voor groep 8

  • Bespreek hoe sociale status en groepsdruk de rugzak kunnen verzwaren.
  • Voeg online buitensluiting toe.
  • Laat leerlingen een oplossing beoordelen op veiligheid, haalbaarheid en invloed op de groepsnorm.
  • Bespreek dat steun geven niet hetzelfde is als verantwoordelijkheid overnemen.

Voor leerlingen die moeite hebben met taal

Gebruik zinsstarters:

  • “De leerling maakte mee dat …”
  • “De leerling kan zich … voelen.”
  • “We weten nog niet of …”
  • “Een klasgenoot kan helpen door …”
  • “Een volwassene kan vragen …”

Voor snelle leerlingen

Laat hen een eigen voorbeeld maken met:

  • vier opeenvolgende gebeurtenissen;
  • een gevoel;
  • een gedachte;
  • een lichamelijk signaal;
  • een gedragsverandering;
  • drie groepsacties die de rugzak lichter maken;
  • één vraag die een leerkracht moet stellen.

Checklist voorbereiding

☐ Ik heb de casus en antwoorden gelezen.
☐ Ik heb gevoel, gedachte, lichaam en gedrag op het bord geschreven.
☐ Ik heb papier en pennen klaargelegd.
☐ Ik weet hoe ik reageer wanneer een leerling een echte naam noemt.
☐ Ik gebruik de rugzak niet om gevoelens voor leerlingen in te vullen.
☐ Ik weet welke interne route ik volg bij een zorgsignaal.
☐ Ik heb tijd voor een individueel gesprek na de les.
☐ Ik plan opvolging wanneer een leerling iets meldt.
☐ Ik leg de nadruk op groepsverantwoordelijkheid en volwassen bescherming.

Bronnen

Eugene, D. R., Du, X., & Kim, Y. K. (2021). An examination of peer victimization and internalizing problems through a racial equity lens: Does school connectedness matter? International Journal of Environmental Research and Public Health, 18(3), 1085.
https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC7908093/

Fekkes, M., Pijpers, F. I. M., Fredriks, A. M., Vogels, T., & Verloove-Vanhorick, S. P. (2006). Do bullied children get ill, or do ill children get bullied? A prospective cohort study on the relationship between bullying and health-related symptoms. Pediatrics, 117(5), 1568–1574.
https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/16651310/

Gini, G., & Pozzoli, T. (2013). Bullied children and psychosomatic problems: A meta-analysis. Pediatrics, 132(4), 720–729.
https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/24043275/

Moore, S. E., Norman, R. E., Suetani, S., Thomas, H. J., Sly, P. D., & Scott, J. G. (2017). Consequences of bullying victimization in childhood and adolescence: A systematic review and meta-analysis. World Journal of Psychiatry, 7(1), 60–76.
https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC5371173/

Rambaran, J. A., Dijkstra, J. K., & Veenstra, R. (2020). Bullying as a group process in childhood: A longitudinal social network analysis. Child Development, 91(4), 1336–1352.
https://doi.org/10.1111/cdev.13298

StopBullying.gov. Warning signs for bullying. U.S. Department of Health and Human Services.
https://www.stopbullying.gov/bullying/warning-signs

StopBullying.gov. What is bullying? U.S. Department of Health and Human Services.
https://www.stopbullying.gov/bullying/what-is-bullying

Onderwijssoort: 
PO / Primair onderwijs - basisonderwijs