Primair onderwijs (PO)
Inleiding (voorleestekst)
“Vandaag gaan we oefenen hoe we kunnen helpen als we pesten zien gebeuren. Soms weet je niet goed wat je moet doen of wat je kunt zeggen. Daarom gaan we samen een toneelstukje maken. In dit toneelstukje spelen we situaties na waarin iemand wordt gepest. Zo kunnen we samen oefenen hoe je kunt ingrijpen en hoe je iemand kunt helpen.”
Startvraag (voorlezen)
“Wie weet wat je kunt doen als je ziet dat iemand wordt gepest? Wat kun je zeggen of doen om te helpen?”
Werkopdracht (voorlezen)
“We gaan kleine groepjes maken. Elk groepje bedenkt een kort toneelstukje waarin iemand wordt gepest en waarin jullie laten zien hoe je kunt helpen. Jullie mogen zelf kiezen wie welke rol speelt. Denk goed na: hoe kun je duidelijk maken dat pesten moet stoppen? Hoe kun je iemand steunen die gepest wordt? Als jullie klaar zijn, mogen jullie het toneelstukje aan de klas laten zien.”
Vragen voor tijdens het spelen (voorlezen)
“Hoe voelde het om de rol van pester of van slachtoffer te spelen?”
“Wat vonden jullie van de oplossingen die zijn bedacht?”
“Wat kun je in het echt doen als je dit ziet?”
Afronding (voorlezen)
“Het is belangrijk dat we elkaar helpen als iemand wordt gepest. Door deze toneelstukjes hebben we geoefend wat je kunt zeggen of doen. Zo weet je beter wat je kunt doen als je het echt meemaakt. Samen kunnen we ervoor zorgen dat iedereen zich veilig voelt.”
Voortgezet onderwijs (VO)
Inleiding (voorleestekst)
“Vandaag gaan we samen oefenen hoe je kunt reageren als je pesten ziet gebeuren. Veel leerlingen weten wel dat ze iets zouden moeten doen, maar vinden het spannend of weten niet hoe. Daarom gaan we met kleine scènes oefenen hoe je kunt ingrijpen en elkaar kunt steunen. Zo krijg je handvatten voor als je echt in zo’n situatie komt.”
Startvraag (voorlezen)
“Wat maakt het lastig om in te grijpen als je ziet dat iemand wordt gepest? Wat zou je kunnen helpen om toch iets te doen?”
Werkopdracht (voorlezen)
“We maken groepjes van ongeveer vijf leerlingen. Elk groepje bedenkt een korte scène waarin iemand wordt gepest, bijvoorbeeld in de klas, op het schoolplein of online. Daarna bedenken jullie samen hoe je de situatie kunt stoppen en hoe je het slachtoffer kunt helpen. Zorg dat je verschillende rollen laat zien: de pester, het slachtoffer, de meeloper en iemand die helpt. Jullie spelen de scène straks voor de groep en laten zien hoe je positief kunt ingrijpen.”
Vragen voor tijdens of na het spelen (voorlezen)
“Hoe voelde het om in deze rol te staan?”
“Wat werkte goed in deze oplossing?”
“Zou je dit ook in het echt durven doen? Waarom wel of niet?”
Afronding (voorlezen)
“Door deze scènes hebben we samen geoefend wat je kunt zeggen of doen als je pesten ziet. Het is niet altijd makkelijk, maar elke kleine actie kan een groot verschil maken. Blijf altijd nadenken: wat kan ik doen om het voor een ander veiliger te maken? Zo zorgen we samen voor een fijne sfeer in de klas.”
Middelbaar beroepsonderwijs (MBO)
Inleiding (voorleestekst)
“Vandaag gaan we oefenen hoe je kunt reageren als je ongewenst gedrag of pesten ziet, bijvoorbeeld in de klas, op stage of op je werk. Veel mensen willen wel iets zeggen of doen, maar vinden dat lastig. Door samen scènes te spelen, kunnen we verschillende reacties oefenen en kijken wat wel en niet werkt.”
Startvraag (voorlezen)
“Waarom is het soms moeilijk om in te grijpen als je ziet dat iemand wordt buitengesloten of gepest? Wat heb je nodig om toch iets te doen?”
Werkopdracht (voorlezen)
“Vorm groepjes van ongeveer vijf studenten. Bedenk een herkenbare situatie waarin iemand wordt buitengesloten of gepest, bijvoorbeeld tijdens een project, in de kantine of in een WhatsApp-groep. Laat in jullie scène zien hoe je kunt ingrijpen en hoe je het slachtoffer kunt steunen. Zorg dat er verschillende rollen zijn: de pester, het slachtoffer, de omstanders en de helper. Als jullie klaar zijn, spelen jullie de scène voor de groep. Daarna bespreken we samen wat er gebeurde en wat we ervan kunnen leren.”
Vragen voor tijdens of na het spelen (voorlezen)
“Hoe voelde het om in deze situatie te staan?”
“Welke reactie werkte het beste?”
“Hoe kun je dit toepassen in je stage of later op je werk?”
Afronding (voorlezen)
“Het is belangrijk om te weten dat je altijd iets kunt doen, ook al lijkt het maar klein. Door deze oefening heb je geoefend hoe je kunt reageren en hoe je iemand kunt helpen. Samen kunnen we een cultuur maken waarin iedereen zich gezien en gerespecteerd voelt, hier op school en later op je werk.”

