Doel: Leerlingen helpen het verschil te begrijpen tussen plagen en pesten.
Gebruik: Klassikaal of in tweetallen. Laat ze nadenken en overleggen.
Opdracht
Lees de situaties. Kruis aan of je denkt dat het plagen of pesten is. Leg uit waarom je dat denkt.
Situatie | Plagen | Pesten | Waarom denk je dat? |
|---|---|---|---|
Twee kinderen maken een grap over elkaars rare sokken en lachen samen. | ☐ | ☐ | |
Elke dag zegt iemand tegen een klasgenoot: “Jij doet altijd alles fout.” | ☐ | ☐ | |
Iemand zegt per ongeluk iets geks en een ander lacht. Daarna zegt hij: “Sorry!” | ☐ | ☐ | |
Een groepje laat één kind steeds niet meespelen, ook al vraagt hij het. | ☐ | ☐ |
Voorbeeldantwoorden voor de leerkracht:
- Sok-grap = plagen → het is gelijkwaardig en ze lachen samen.
- “Altijd fout” = pesten → het gebeurt elke dag en is kwetsend.
- Oeps-moment = plagen of ongelukje → intentie is belangrijk.
- Niet laten meespelen = pesten → uitsluiting, herhaling.

