Doel: Leerlingen concreet laten benoemen wat zij kunnen doen als er iets gebeurt dat niet fijn is in de groep.
Opbouw:
Schrijf bij elk voorbeeld wat jij zou kunnen doen:
- Iemand wordt expres overgeslagen bij gym.
- Er wordt gelachen om iemands kleding.
- Iemand zegt dat hij geen vrienden heeft.
Laat leerlingen in tweetallen bespreken:
- Wat vind jij makkelijk om te doen?
- Wat zou je moeilijk vinden? Waarom?
Klassikaal afsluiten:
Maak samen drie klasafspraken met actie. Bijvoorbeeld:
- “Als je ziet dat iemand gepest wordt, zeg je er iets van of meld je het bij de juf.”
- “Als iemand alleen zit, vraag je of die mee wil doen.”
- “Als je zelf gepest wordt, zeg je dat tegen een volwassene.”
Docentinstructie:
Benoem dat het belangrijk is dat we het niet alleen leuk proberen te houden, maar ook eerlijk durven zijn als het niet leuk is. Gebruik zinnen als:
- “Soms denken mensen dat ze aardig moeten blijven, terwijl iets niet oké is.”
- “Je mag altijd iets zeggen of hulp vragen. Juist dán laat je zien dat je voor elkaar zorgt.”

