Doel: Leerlingen aan het denken zetten over gedrag in de groep.
Gebruik: Individueel of in kleine groepjes. Bespreek daarna klassikaal.
Opdracht
Kruis aan of je dit weleens hebt gezien of meegemaakt. Kies daarna twee dingen en schrijf wat jij denkt dat er aan de hand was.
Situatie | Ja | Nee |
|---|---|---|
Iemand werd vaak overgeslagen bij een spelletje. | ☐ | ☐ |
Eén kind zei iets, en de rest lachte of keek weg. | ☐ | ☐ |
Iemand zei: “Ik doe wel alleen.” | ☐ | ☐ |
Een groepje deed geheimzinnig over iemand anders. | ☐ | ☐ |
Schrijf hieronder over 2 situaties
Wat gebeurde er? Hoe voelde jij je erbij? Wat zou jij kunnen doen?
Voorbeeldantwoorden leerling:
- “We deden tikkertje en lieten iemand steeds niet meedoen. Ik denk dat hij dat niet leuk vond.”
- “Ik zag dat iedereen ging lachen toen iemand iets vroeg. Ik vond het zielig.”

