Rol van niet-onderwijzend personeel | Stop Pesten NU

Rol van niet-onderwijzend personeel bij het voorkomen van pesten

Niet alleen leerkrachten en mentoren spelen een belangrijke rol bij het voorkomen van pesten. Juist conciërges, onderwijsassistenten, toezichthouders, kantinemedewerkers, administratief medewerkers, receptionisten, schoonmaakmedewerkers, pleinwachten, vrijwilligers en andere ondersteunende collega’s zien vaak wat in het klaslokaal onzichtbaar blijft.

Veel pestgedrag vindt namelijk plaats op momenten waarop er minder direct toezicht is: in de gang, op het schoolplein, bij de fietsenstalling, in de kleedkamers, tijdens pauzes, in de kantine of onderweg naar de gymzaal. Op deze plekken laten leerlingen vaak hun echte groepsdynamiek zien.

Juist daarom is niet-onderwijzend personeel een onmisbare schakel in het signaleren, begrenzen en voorkomen van pesten. Eén oplettende opmerking of een korte interventie kan voorkomen dat pestgedrag zich ontwikkelt tot een structureel groepsprobleem.

Waarom juist niet-onderwijzend personeel zoveel ziet

Leerlingen gedragen zich vaak anders wanneer er geen docent aanwezig is. Tijdens een les weten veel leerlingen zich goed te gedragen, terwijl pestgedrag juist zichtbaar wordt zodra de bel gaat.

Niet-onderwijzend personeel ziet bijvoorbeeld:

  • wie iedere pauze alleen loopt;
  • wie steeds als laatste gekozen wordt;
  • welke leerlingen elkaar bewust ontwijken;
  • wie regelmatig wordt uitgelachen;
  • wie steeds dezelfde kwetsende opmerkingen krijgt;
  • wie uit groepsactiviteiten wordt buitengesloten;
  • welke groepjes voortdurend dezelfde leerling opzoeken;
  • wie gespannen reageert zodra bepaalde leerlingen in de buurt komen.

Vaak lijken dit kleine losse gebeurtenissen. Maar juist meerdere kleine signalen samen vertellen het echte verhaal.

Pesten begint meestal niet met grote incidenten

Veel volwassenen verwachten dat pesten direct zichtbaar is. In werkelijkheid bestaat pesten vaak uit kleine gedragingen die zich steeds opnieuw herhalen.

Denk bijvoorbeeld aan:

  • iedere dag expres tegen iemand aanbotsen;
  • steeds de tas wegschoppen;
  • een stoel bezet houden zodat iemand nergens kan zitten;
  • iemand nooit aankijken;
  • expres zuchten wanneer iemand erbij komt;
  • fluisteren zodra dezelfde leerling langsloopt;
  • steeds dezelfde bijnaam gebruiken;
  • doen alsof iemand niet bestaat;
  • iedere dag nét niet naast iemand gaan zitten;
  • iemand steeds als laatste laten aansluiten.

Eén gebeurtenis lijkt misschien onschuldig. Het patroon maakt het pesten.

Wat kun je als niet-onderwijzend medewerker direct doen?

Je hoeft geen uitgebreide gesprekken te voeren of direct een oplossing te hebben. Vaak maken juist kleine, rustige interventies het verschil.

1. Grijp direct in

Wanneer je pestgedrag ziet, wacht dan niet af.

Niet:

  • “Jongens, doe eens normaal…”

Wel:

  • “Stop.”
  • “Zo gaan we hier niet met elkaar om.”
  • “Laat hem los.”
  • “Iedereen hoort erbij.”

Rustig, duidelijk en zonder discussie.  Door direct te reageren laat je zien dat pestgedrag op school niet normaal is.

2. Gebruik korte non-verbale interventies

Soms is een blik of aanwezigheid voldoende.

  • Loop rustig naar de situatie toe.
  • Maak oogcontact.
  • Ga tussen leerlingen staan wanneer dat nodig is.
  • Blijf even in de buurt.

Alleen al jouw aanwezigheid haalt vaak de spanning uit de situatie.

3. Benoem wat je ziet

Beschrijf gedrag in plaats van personen.

Niet:

  • “Jij bent een pestkop.”

Wel:

  • “Ik zie dat je hem wegduwt.”
  • “Ik hoor dat jullie hem uitlachen.”
  • “Ik zie dat jullie zonder haar weglopen.”
  • “Ik zie dat niemand naast hem wil zitten.”

Daarna volgt een duidelijke grens.

  • “Dat stoppen we nu.”

4. Vraag door wanneer iets opvalt

Een eenvoudige vraag kan veel duidelijk maken.

Bijvoorbeeld:

  • “Hoe gaat het eigenlijk met je?”
  • “Ik zie je de laatste tijd vaak alleen lopen.”
  • “Is dit de eerste keer of gebeurt dit vaker?”
  • “Met wie trek jij normaal op?”

Soms vertelt een leerling direct wat er speelt. Soms niet. Maar leerlingen merken wel dat iemand hen ziet.

5. Zie patronen

Een losse gebeurtenis hoeft geen pesten te zijn.

Maar wanneer je dezelfde leerling meerdere keren ziet:

  • alleen eten;
  • huilend naar binnen gaan;
  • steeds worden uitgelachen;
  • nooit meedoen;
  • steeds hetzelfde groepje vermijden;

dan is het belangrijk dit te delen met mentor, docent of intern begeleider.

Juist verschillende kleine observaties vormen samen vaak het bewijs dat er meer speelt.

6. Geef positieve aandacht

Veilige groepen ontstaan niet alleen door pestgedrag te stoppen. Ze ontstaan vooral doordat positief gedrag wordt gezien.

Zeg bijvoorbeeld:

  • “Mooi dat je hem erbij vroeg.”
  • “Fijn dat je even wachtte.”
  • “Goed dat jullie samen spelen.”
  • “Dank je dat je hielp.”
  • “Dat was sportief van je.”

Leerlingen herhalen gedrag dat aandacht krijgt.

7. Wees zichtbaar

Leerlingen voelen zich veiliger wanneer volwassenen actief aanwezig zijn.

  • Niet achter een bureau blijven zitten.
  • Loop regelmatig een ronde.
  • Maak een praatje.
  • Groet leerlingen.
  • Maak oogcontact.

Wanneer leerlingen weten dat volwassenen aanwezig én aanspreekbaar zijn, neemt pestgedrag vaak al af.

Praktijkvoorbeelden

Basisonderwijs (PO)

Voorbeeld 1

Een conciërge ziet dat Milan iedere pauze alleen op een bankje zit. In plaats van alleen te observeren zegt hij:

  • “Met wie speel jij vandaag?”
  • Daarna loopt hij mee naar een groepje.
  • “Is er nog plek voor Milan?”

Een klein gebaar voorkomt dat buitensluiting de hele pauze duurt.

Voorbeeld 2

Een pleinwacht ziet dat drie kinderen steeds voor een leerling uitrennen zodat deze niet mee kan doen. De medewerker loopt direct naar de groep.

  • “Stop even.”
  • “Ik zie dat hij er steeds niet bij mag.”
  • “Op onze school sluiten we niemand buiten.”

Daarna helpt hij de groep opnieuw te beginnen.

Voorbeeld 3

Bij de fietsenstalling wordt iedere dag dezelfde tas omgegooid. In plaats van alleen de tas op te rapen vraagt de medewerker:

  • “Ik zie dit nu al een paar keer gebeuren.”
  • “Gebeurt dit vaker?”

De mentor wordt geïnformeerd zodat het patroon onderzocht kan worden.

Voortgezet onderwijs (VO)

Voorbeeld 1

Een kantinemedewerker merkt dat een leerling iedere middag alleen eet terwijl de rest van de klas samen zit. In plaats van niets te doen zegt zij:

  • “Ik zie je hier vaak alleen zitten.”
  • “Gaat dat zoals jij wilt?”
  • De leerling vertelt uiteindelijk dat hij uit de groepsapp is gezet.

Een belangrijk signaal dat anders onopgemerkt was gebleven.

Voorbeeld 2

Een toezichthouder hoort telkens dezelfde bijnaam door de gang.Hij reageert direct.

  • “ Stop.”
  • “Gebruik zijn naam.”
  • “Zo spreken we elkaar hier aan.”

Kort, duidelijk en zonder discussie.

Voorbeeld 3

Na de gymles blijven enkele leerlingen expres achter zodat één leerling alleen naar de kleedkamer loopt.

  • Een onderwijsassistent merkt dit patroon op en bespreekt het met de mentor.

Samen wordt onderzocht of sprake is van structurele buitensluiting.

Speciaal onderwijs (SO en VSO)

Leerlingen hebben soms meer behoefte aan voorspelbaarheid, duidelijkheid en ondersteuning.

  • Daarom zijn kleine dagelijkse interventies extra belangrijk.

Voorbeeld 1

Een medewerker ziet dat een leerling boos wordt wanneer anderen voordringen. Hij benoemt rustig:

  • “Ik zie dat je moet wachten.”
  • “We lossen dit rustig op.”

Hierdoor voorkomt hij escalatie.

Voorbeeld 2

Een pauze-assistent ziet dat een leerling voor het eerst iemand laat voorgaan. Direct volgt een compliment.

  • “Mooi dat je even wachtte.”
  • “Dat helpt iedereen.”

Positief gedrag krijgt direct aandacht.

Voorbeeld 3

Een leerling loopt iedere pauze dezelfde route om anderen te vermijden.

  • Een begeleider merkt dit meerdere dagen achter elkaar op en bespreekt dit met de mentor.

Samen blijkt dat de leerling zich onveilig voelt voor een bepaalde groep.

Kleine signalen kunnen grote gevolgen voorkomen

Veel leerlingen vertellen niet uit zichzelf dat zij worden gepest. Schaamte, angst of de overtuiging dat er toch niets verandert zorgen ervoor dat zij zwijgen. Daarom zijn juist de dagelijkse observaties van niet-onderwijzend personeel zo waardevol. Eén opmerking, één observatie of één melding kan het ontbrekende puzzelstukje zijn waardoor een patroon zichtbaar wordt. Iedere medewerker op school draagt bij aan sociale veiligheid. Niet omdat iedereen pestexpert hoeft te zijn, maar omdat iedere volwassene het verschil kan maken door te kijken, te reageren en samen te werken.

Veelgestelde vragen

Moet ik zelf het gesprek met de leerlingen aangaan?

Wanneer het om een kleine situatie gaat kun je vaak zelf kort ingrijpen. Zie je een patroon of twijfel je, bespreek dit dan altijd met de mentor, docent of intern begeleider.

Wat als ik niet zeker weet of het pesten is?

Meld liever één observatie te veel dan één te weinig. Juist meerdere losse observaties van verschillende collega’s maken patronen zichtbaar.

Ik ben conciërge of kantinemedewerker. Is dit wel mijn taak?

Ja. Sociale veiligheid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Je hoeft geen onderzoek te doen of problemen op te lossen, maar jouw observaties kunnen van grote waarde zijn.

Wat als leerlingen zeggen dat het “maar een grapje” was?

Kijk niet alleen naar wat er wordt gezegd, maar vooral naar het effect op de ander. Wanneer dezelfde leerling steeds het mikpunt is of zichtbaar ongemakkelijk reageert, is het belangrijk de situatie serieus te nemen.

Kan één korte interventie echt verschil maken?

Ja. Onderzoek naar groepsdynamiek laat zien dat duidelijk begrenzen door volwassenen de groepsnorm beïnvloedt. Leerlingen zien dat respectvol gedrag de norm is en dat pestgedrag niet wordt genegeerd.