Een woonzorgcentrum moet een plaats zijn waar bewoners zich veilig, gezien en gerespecteerd voelen. Waar zij zonder angst gebruik kunnen maken van gezamenlijke ruimtes, deelnemen aan activiteiten, contact hebben met anderen en hun eigen grenzen kunnen aangeven. Ook medewerkers, vrijwilligers en naasten moeten zich veilig genoeg voelen om zorgen te bespreken, ongewenst gedrag te begrenzen en fouten of incidenten te melden. Sociale veiligheid gaat daarom over meer dan het voorkomen van ernstige incidenten. Het gaat ook over de dagelijkse omgangscultuur. Wordt iedere bewoner begroet? Kan iedereen aan een tafel plaatsnemen? Worden bewoners betrokken bij activiteiten? Worden kwetsende opmerkingen als grapjes afgedaan? Durven medewerkers elkaar aan te spreken? Worden signalen van buitensluiten, pesten, intimidatie of grensoverschrijdend gedrag serieus onderzocht?
Onveiligheid kan openlijk zichtbaar zijn, bijvoorbeeld door schelden, dreigen, slaan of vernederen. Maar sociale onveiligheid kan ook subtiel ontstaan. Een bewoner wordt steeds genegeerd, anderen houden een vaste stoel bezet, iemand wordt niet meer uitgenodigd voor activiteiten of medewerkers praten over een bewoner alsof die persoon niet aanwezig is. Afzonderlijke gedragingen kunnen klein lijken. Wanneer dezelfde persoon er herhaald mee te maken krijgt, zich niet kan verdedigen en afhankelijk is van anderen voor zorg, wonen, sociale contacten of deelname, kan de impact groot zijn.
Goede woonzorg vraagt om persoonsgerichte zorg, aandacht voor wonen en welzijn, veiligheid en een organisatie die blijft leren en verbeteren. De kwaliteit van de relaties tussen bewoners, naasten, zorgverleners en de zorgorganisatie is daarbij van wezenlijk belang. (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd)
Op deze pagina lees je:
- wat sociale veiligheid in een woonzorgcentrum betekent;
- voor wie sociale veiligheid belangrijk is;
- welke vormen van sociale onveiligheid kunnen voorkomen;
- hoe je pesten en buitensluiten tussen bewoners herkent;
- hoe groepsdynamiek in gezamenlijke woonruimtes werkt;
- welke signalen bewoners, medewerkers en organisaties kunnen laten zien;
- wat medewerkers en vrijwilligers kunnen doen;
- welke rol locatiemanagers en bestuurders hebben;
- hoe je een sociaal veilige woonomgeving opbouwt;
- hoe incidenten en signalen zorgvuldig worden onderzocht;
- waarom sociale veiligheid voortdurend aandacht vraagt.
Wat is sociale veiligheid in een woonzorgcentrum?
Sociale veiligheid betekent dat mensen zich beschermd weten tegen ongewenst, vernederend, bedreigend, intimiderend of buitensluitend gedrag. Zij moeten zich vrij genoeg voelen om zichzelf te zijn, grenzen aan te geven, zorgen te bespreken, hulp te vragen en deel te nemen aan het dagelijks leven.
In een sociaal veilig woonzorgcentrum:
- worden bewoners als unieke personen benaderd;
- worden persoonlijke grenzen gerespecteerd;
- wordt ongewenst gedrag niet genormaliseerd;
- worden bewoners niet structureel buitengesloten;
- kunnen bewoners en naasten zorgen melden;
- durven medewerkers collega’s en leidinggevenden aan te spreken;
- weten vrijwilligers waar zij met signalen terechtkunnen;
- wordt rekening gehouden met afhankelijkheid en kwetsbaarheid;
- worden incidenten zorgvuldig onderzocht;
- wordt na een melding gecontroleerd of de veiligheid werkelijk is hersteld;
- wordt niet alleen naar personen gekeken, maar ook naar groepscultuur en organisatie.
Sociale veiligheid heeft betrekking op verschillende relaties:
- tussen bewoners onderling;
- tussen bewoners en medewerkers;
- tussen medewerkers onderling;
- tussen bewoners en vrijwilligers;
- tussen medewerkers en leidinggevenden;
- tussen bewoners, medewerkers en naasten;
- tussen bewoners en bezoekers;
- binnen digitale communicatiekanalen.
Waarom is sociale veiligheid in woonzorgcentra extra belangrijk?
Bewoners delen vaak langdurig een woonomgeving met mensen die zij niet zelf hebben gekozen. Zij komen elkaar tegen tijdens maaltijden, activiteiten, koffiemomenten, in gangen, huiskamers en andere gemeenschappelijke ruimtes.
Daarnaast kunnen bewoners afhankelijk zijn van anderen voor:
- persoonlijke verzorging;
- medicatie;
- mobiliteit;
- informatie;
- deelname aan activiteiten;
- sociale contacten;
- hulp bij communicatie;
- toegang tot ruimtes;
- ondersteuning bij het indienen van een klacht;
- bescherming tegen andere bewoners of bezoekers.
Een bewoner kan daardoor niet altijd eenvoudig afstand nemen van iemand die intimideert, buitensluit of pest. Verhuizen naar een andere tafel, afdeling of locatie is niet voor iedereen mogelijk of wenselijk. Ook medewerkers kunnen afhankelijkheidsrelaties ervaren. Zij zijn bijvoorbeeld afhankelijk van roosters, beoordelingen, contractverlenging, samenwerking en de steun van collega’s. Sociale veiligheid vraagt daarom aandacht voor zowel bewoners als werkenden.
Sociale veiligheid is meer dan fysieke veiligheid
Bij veiligheid in een woonzorgcentrum wordt vaak eerst gedacht aan medicatieveiligheid, vallen, brandveiligheid, infectiepreventie en lichamelijke zorg. Deze onderwerpen zijn belangrijk, maar veiligheid heeft ook een sociale en psychologische kant. Een bewoner kan lichamelijk veilig zijn en zich toch dagelijks sociaal onveilig voelen door:
- vernederende opmerkingen;
- steeds worden genegeerd;
- dreigend gedrag van een medebewoner;
- roddelen;
- ongewenste aanrakingen;
- buitensluiten van activiteiten;
- het bezet houden van een vaste stoel;
- persoonlijke informatie die wordt gedeeld;
- medewerkers die over het hoofd heen praten;
- angst om grenzen aan te geven.
Sociale veiligheid moet daarom onderdeel zijn van de dagelijkse zorg, het welzijnsbeleid, het personeelsbeleid, de risico-inventarisatie, de meldstructuur en het kwaliteitsbeleid.
Voor wie geldt sociale veiligheid?
Sociale veiligheid geldt voor iedereen die in of rond het woonzorgcentrum verblijft, werkt of betrokken is.
Bewoners
Bewoners moeten zich veilig kunnen voelen in hun eigen kamer, gezamenlijke ruimtes, restaurants, gangen, tuinen en tijdens activiteiten.
Medewerkers
Zorgmedewerkers, behandelaren, huishoudelijke medewerkers, welzijnsmedewerkers, keukenmedewerkers, technische medewerkers en andere werknemers moeten beschermd worden tegen pesten, discriminatie, intimidatie, agressie en ander ongewenst gedrag.
Pesten, agressie, geweld, discriminatie en seksuele intimidatie vallen voor werknemers onder psychosociale arbeidsbelasting. Werkgevers moeten beleid voeren om deze risico’s te voorkomen of te beperken. (Arboportaal)
Vrijwilligers
Vrijwilligers hebben vaak intensief contact met bewoners en kunnen belangrijke signalen opmerken. Zij moeten weten welk gedrag ongewenst is, wat hun verantwoordelijkheid is en bij wie zij zorgen kunnen melden.
Naasten en mantelzorgers
Naasten kunnen sociale veranderingen of spanning bij een bewoner opmerken. Tegelijkertijd kunnen ook spanningen, grensoverschrijdend gedrag of conflicten ontstaan tussen naasten, medewerkers en andere bewoners.
Bezoekers en externe professionals
Ook bezoekers, leveranciers, stagiairs, uitzendkrachten en externe behandelaren maken deel uit van de sociale omgeving en moeten zich aan de geldende omgangsnormen houden.
Welke vormen van sociale onveiligheid kunnen voorkomen?
Sociale onveiligheid kan zich op verschillende manieren uiten.
Voorbeelden zijn:
- pesten;
- structureel buitensluiten;
- negeren;
- roddelen;
- vernederen;
- intimideren;
- dreigen;
- discrimineren;
- seksueel grensoverschrijdend gedrag;
- ongewenste aanrakingen;
- schelden;
- schreeuwen;
- spullen afpakken of verplaatsen;
- persoonlijke informatie delen;
- financiële uitbuiting;
- sociale controle;
- machtsmisbruik;
- het onthouden van informatie;
- digitaal lastigvallen;
- iemand ontmoedigen een klacht te melden;
- iemand na een melding anders behandelen.
Niet iedere onaangename gebeurtenis is automatisch pesten of structurele sociale onveiligheid. Kijk naar de herhaling, de ernst, de machtsverhouding, de afhankelijkheid en de gevolgen voor de betrokken persoon.
Pesten tussen bewoners in woonzorgcentra
Pesten kan ook tussen volwassenen en ouderen voorkomen. Ouderdom maakt mensen niet automatisch sociaal vaardiger of minder gevoelig voor groepsdruk, status, buitensluiten en informele machtsverhoudingen. Pesten tussen bewoners kan bestaan uit:
- structureel negeren;
- iemand niet aan tafel laten zitten;
- steeds dezelfde persoon wegsturen;
- kwetsende bijnamen gebruiken;
- roddels verspreiden;
- uiterlijk, beperking, gedrag of achtergrond bespotten;
- bezittingen verplaatsen of verstoppen;
- iemand niet laten deelnemen aan een activiteit;
- anderen overtuigen niet met een bewoner om te gaan;
- steeds dezelfde bewoner corrigeren;
- persoonlijke informatie in de groep bespreken;
- iemand dreigend aankijken;
- steeds een stoel, plek of hulpmiddel opeisen;
- een bewoner belachelijk maken vanwege geheugenproblemen;
- iemand alleen benaderen wanneer die iets kan geven of regelen.
Bij pesten gaat het om een terugkerend patroon waarbij sprake is van een machtsverschil en de betrokken persoon het gedrag niet gemakkelijk zelf kan stoppen.
Wetenschappelijk onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen laat zien dat pesten binnen groepen wordt beïnvloed door sociale rollen, onderlinge relaties, groepsnormen en reacties van omstanders. Dit onderzoek is hoofdzakelijk uitgevoerd binnen onderwijscontexten. De groepsmechanismen bieden een bruikbaar kader om ook groepsprocessen in andere leefgemeenschappen zorgvuldig te onderzoeken, maar kunnen niet zonder meer één-op-één worden gelijkgesteld aan de woonzorgcontext. (University of Groningen)
Wanneer is gedrag tussen bewoners pesten?
Niet ieder conflict, iedere botsing of vervelende opmerking is pesten. Stel de volgende vragen:
- Komt het gedrag herhaald voor?
- Is steeds dezelfde bewoner het doelwit?
- Is sprake van een machtsverschil?
- Kan de bewoner het gedrag zelf stoppen?
- Zijn andere bewoners erbij betrokken?
- Wordt het gedrag door anderen aangemoedigd of gevolgd?
- Vermijdt de bewoner daardoor ruimtes of activiteiten?
- Is de bewoner afhankelijk van dezelfde groep voor sociale contacten?
- Verandert het gedrag wanneer medewerkers aanwezig zijn?
- Wordt de reactie van de bewoner zichtbaarder dan het gedrag dat eraan voorafging?
Een bewoner kan bijvoorbeeld boos reageren tijdens een maaltijd. Die boosheid kan de eerste zichtbare gebeurtenis voor een medewerker zijn, terwijl de bewoner al weken wordt genegeerd, uitgelachen of van een vaste plaats wordt verdreven.
Wat is het verschil tussen een conflict en pesten?
Bij een conflict hebben betrokkenen een verschil van mening, belang, behoefte of verwachting. De verhouding kan gespannen zijn, maar beide partijen hebben in beginsel mogelijkheden om hun verhaal te vertellen en invloed uit te oefenen. Bij pesten is de verhouding niet gelijkwaardig. Eén persoon of groep heeft meer fysieke, cognitieve, sociale, organisatorische of informele macht. Een machtsverschil kan bijvoorbeeld ontstaan doordat iemand:
- mondiger is;
- lichamelijk sterker is;
- veel invloed heeft op andere bewoners;
- beter kan communiceren;
- langer op de locatie woont;
- nauwe banden heeft met medewerkers of vrijwilligers;
- controle heeft over een vaste groep;
- minder afhankelijk is van ondersteuning;
- gemakkelijker geloofd wordt;
- beter kan onthouden en navertellen wat er is gebeurd.
Pesten moet daarom niet automatisch als een gelijkwaardig conflict worden behandeld.
Openlijke vormen van sociale onveiligheid
Openlijk gedrag is vaak gemakkelijker waar te nemen. Voorbeelden zijn:
- schelden;
- dreigen;
- schreeuwen;
- slaan, duwen of knijpen;
- iemand openlijk vernederen;
- beledigende opmerkingen maken;
- ongewenst aanraken;
- een bewoner de toegang tot een ruimte blokkeren;
- spullen afpakken;
- eten of drinken afpakken;
- iemand openlijk wegsturen;
- bedreigende taal of gebaren gebruiken;
- discriminerende opmerkingen maken;
- een medewerker publiekelijk kleineren;
- een bewoner behandelen alsof die geen zeggenschap heeft.
Openlijk gedrag vraagt om een directe grens en een beoordeling van de veiligheid. Daarna moet worden onderzocht of het onderdeel is van een breder patroon.
Subtiele vormen van sociale onveiligheid
Subtiele onveiligheid is moeilijker zichtbaar en kan lang doorgaan.
Structureel negeren
Voorbeelden zijn:
- een bewoner niet begroeten;
- niet reageren op vragen;
- over iemand heen praten;
- een bewoner niet aankijken;
- gesprekken stoppen wanneer iemand aansluit;
- doen alsof iemand niet aanwezig is;
- alleen via een medewerker met een bewoner communiceren;
- wel op anderen reageren, maar niet op één bepaalde persoon.
Sociaal buitensluiten
Voorbeelden zijn:
- geen plaats vrijhouden;
- zeggen dat een tafel vol is terwijl later wel iemand anders aanschuift;
- een bewoner niet uitnodigen voor een activiteit;
- gezamenlijke plannen geheimhouden;
- weglopen wanneer een bewoner erbij komt;
- iemand alleen laten deelnemen wanneer een medewerker ingrijpt;
- een bewoner niet meenemen in gezamenlijke gesprekken;
- steeds zeggen dat iemand “toch liever alleen is”.
Roddelen en reputatieschade
Voorbeelden zijn:
- persoonlijke informatie verspreiden;
- verhalen over gedrag of gezondheid delen;
- anderen waarschuwen om niet met iemand om te gaan;
- een bewoner als lastig, vies, raar of onbetrouwbaar neerzetten;
- een conflict eenzijdig navertellen;
- geheugenproblemen gebruiken om iemands verhaal ongeloofwaardig te maken;
- aannames over afkomst, religie, geaardheid of levensstijl verspreiden.
Non-verbaal gedrag
Voorbeelden zijn:
- met de ogen rollen;
- zuchten wanneer iemand spreekt;
- elkaar aankijken en lachen;
- wegschuiven wanneer iemand gaat zitten;
- dreigend staren;
- fluisteren;
- een stoel verplaatsen;
- iemand van top tot teen bekijken;
- afwijzende gebaren maken;
- zichtbaar stilvallen wanneer iemand binnenkomt.
Uitsluiten van informatie
Voorbeelden zijn:
- een bewoner niet vertellen dat een activiteit is verplaatst;
- informatie alleen aan een vaste groep geven;
- een bewoner niet informeren over afspraken die voor de groep gelden;
- naasten niet meenemen in relevante communicatie;
- vrijwilligers niet vertellen welke veiligheidsafspraken gelden;
- belangrijke signalen niet tussen diensten overdragen.
Voorwaardelijk toelaten
Een bewoner mag alleen meedoen wanneer die persoon:
- iets weggeeft;
- geld betaalt;
- eten of drinken deelt;
- meegaat in roddels;
- een andere bewoner uitsluit;
- een vaste rol accepteert;
- persoonlijke informatie deelt;
- zich aanpast aan de wensen van een dominante groep.
Groepsdynamiek onder bewoners
In gezamenlijke woonruimtes ontstaan groepsprocessen. Bewoners ontwikkelen voorkeuren, vaste plaatsen, vriendschappen, spanningen, gewoontes en informele regels.
Dat is op zichzelf niet problematisch. Het wordt onveilig wanneer één persoon of groep bepaalt:
- wie waar mag zitten;
- wie aan een activiteit mag deelnemen;
- wie bij een tafel hoort;
- wie wordt geloofd;
- over wie wordt geroddeld;
- wie wordt aangesproken;
- wie wordt genegeerd;
- welke bijnamen normaal worden gevonden;
- welk gedrag medewerkers wel of niet te horen krijgen.
Binnen een groep kunnen verschillende posities ontstaan:
- degene die het gedrag begint;
- bewoners die actief meedoen;
- bewoners die lachen of aanmoedigen;
- bewoners die zwijgen;
- bewoners die bang zijn zelf doelwit te worden;
- bewoners die de buitengesloten persoon steunen;
- medewerkers of vrijwilligers die ingrijpen;
- medewerkers die het gedrag niet opmerken of normaliseren.
De groep kan het probleem versterken, maar biedt ook mogelijkheden voor verandering. Wanneer omstanders niet meer meelachen, iemand wel betrekken en medewerkers consequent grenzen stellen, kan de groepsnorm veranderen. De Rijksuniversiteit Groningen beschrijft dat de acceptatie van pesten en de status die het gedrag oplevert mede afhangen van de groepsnorm. (University of Groningen)
Waarom blijven andere bewoners soms stil?
Bewoners kunnen ongewenst gedrag zien maar niets zeggen omdat zij:
- bang zijn zelf het volgende doelwit te worden;
- hun plaats in de groep niet willen verliezen;
- afhankelijk zijn van andere bewoners;
- conflicten willen vermijden;
- niet weten wat zij kunnen doen;
- denken dat medewerkers het al hebben gezien;
- twijfelen of het gedrag ernstig genoeg is;
- cognitieve of communicatieve beperkingen hebben;
- bang zijn niet geloofd te worden;
- niet als klager willen worden gezien;
- het gedrag inmiddels normaal vinden.
Stilte betekent niet automatisch instemming. Toch kan de stilte door degene die het gedrag vertoont worden ervaren als ruimte om door te gaan.
Sociale onveiligheid door medewerkers
Sociale veiligheid gaat ook over de manier waarop medewerkers met bewoners omgaan.
Mogelijke voorbeelden van onveilig of grensoverschrijdend gedrag zijn:
- over een bewoner praten alsof die niet aanwezig is;
- een bewoner kinderlijk toespreken;
- een bewoner belachelijk maken;
- persoonlijke informatie hoorbaar bespreken;
- wensen zonder uitleg negeren;
- een bewoner dreigen zorg of deelname te onthouden;
- onnodig hardhandig handelen;
- grenzen of privacy niet respecteren;
- een bewoner systematisch minder aandacht geven;
- iemand straffen door langer te laten wachten;
- een bewoner niet serieus nemen vanwege dementie of een andere aandoening;
- kwetsende bijnamen gebruiken;
- intimiderend reageren op een klacht;
- een bewoner ontmoedigen om iets aan een naaste te vertellen.
Geweld in de zorgrelatie kan bestaan uit lichamelijk en geestelijk geweld, seksueel grensoverschrijdend gedrag, seksueel misbruik en dwang. Zorgaanbieders moeten bepaalde vormen van geweld in de zorgrelatie melden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd volgens de Wkkgz. (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd)
Niet iedere fout of onhandige communicatie is direct opzettelijk grensoverschrijdend gedrag. Ook dan moet wel worden onderzocht wat er gebeurde, welke impact het had en wat nodig is om herhaling te voorkomen.
Sociale onveiligheid binnen zorgteams
Een sociaal onveilig zorgteam kan uiteindelijk ook gevolgen hebben voor bewoners. Wanneer medewerkers niet vrij durven spreken, signalen achterhouden of elkaar niet aanspreken, kan belangrijke informatie verloren gaan.
Voorbeelden van sociale onveiligheid binnen teams zijn:
- collega’s structureel buitensluiten;
- medewerkers publiekelijk kleineren;
- fouten gebruiken om iemand te vernederen;
- informatie niet overdragen;
- ongunstige diensten steeds aan dezelfde medewerker geven;
- roddelen;
- melders als lastig neerzetten;
- stagiairs of tijdelijke medewerkers minderwaardig behandelen;
- groepsapps gebruiken om collega’s uit te sluiten;
- personeel onder druk zetten om incidenten niet te melden;
- medewerkers die kritiek geven minder uren of ontwikkelkansen geven;
- een informele leider die bepaalt wie bij het team hoort.
Werkgevers moeten werknemers beschermen tegen psychosociale arbeidsbelasting, waaronder pesten, agressie en geweld, discriminatie en seksuele intimidatie. (Arboportaal)
Een vertrouwenspersoon kan opvang, advies en begeleiding bieden aan medewerkers en omstanders die te maken krijgen met ongewenst gedrag. Een vertrouwenspersoon vervangt echter geen duidelijk beleid, veilig leiderschap, onderzoek en handhaving. (Arboportaal)
Sociale onveiligheid door bewoners of bezoekers tegenover medewerkers
Medewerkers kunnen te maken krijgen met:
- schelden;
- bedreigen;
- slaan, schoppen of knijpen;
- seksueel grensoverschrijdend gedrag;
- discriminerende opmerkingen;
- stalken;
- intimiderende naasten;
- dreigende berichten;
- herhaald vernederen;
- druk om regels of professionele grenzen te overtreden.
Een aandoening, beperking of cognitieve verandering kan gedrag mede verklaren, maar neemt de behoefte aan bescherming, analyse en professioneel handelen niet weg.
De werkgever moet maatregelen treffen tegen agressie en geweld door personen binnen én buiten de organisatie, waaronder cliënten, patiënten en bezoekers. (Arboportaal)
Bij gedrag dat mogelijk samenhangt met dementie, psychiatrische problematiek, pijn, angst, overprikkeling of andere gezondheidsfactoren, moet naast veiligheid ook zorgvuldig worden onderzocht wat het gedrag veroorzaakt en welke persoonsgerichte ondersteuning nodig is.
De invloed van cognitieve problemen en dementie
Gedrag van bewoners kan beïnvloed worden door:
- dementie;
- geheugenproblemen;
- desoriëntatie;
- angst;
- achterdocht;
- pijn;
- overprikkeling;
- frustratie;
- verlieservaringen;
- communicatieproblemen;
- veranderingen in persoonlijkheid;
- medicatie of lichamelijke aandoeningen.
Daarom moet altijd zorgvuldig worden onderzocht:
- Is het gedrag bewust en doelgericht?
- Begrijpt de bewoner de gevolgen?
- Is sprake van een terugkerend sociaal patroon?
- Welke omstandigheden lokken het gedrag uit?
- Is de omgeving te druk of onduidelijk?
- Is er sprake van pijn, angst of onvervulde behoeften?
- Hoe reageren andere bewoners en medewerkers?
- Welke professionele disciplines moeten worden betrokken?
Een verklaring voor gedrag is niet hetzelfde als toestemming om andere bewoners of medewerkers onbeschermd te laten. Persoonsgerichte zorg betekent dat zowel de behoeften van degene die het gedrag vertoont als de veiligheid van anderen serieus worden genomen.
Signalen bij een bewoner die zich sociaal onveilig voelt
Een bewoner vertelt niet altijd rechtstreeks wat er gebeurt.
Mogelijke signalen zijn:
- gezamenlijke ruimtes vermijden;
- niet meer aan activiteiten willen deelnemen;
- op de eigen kamer blijven;
- niet meer aan een bepaalde tafel willen zitten;
- zichtbaar gespannen raken bij een specifieke bewoner;
- vragen of iemand anders aanwezig zal zijn;
- stiller of teruggetrokken worden;
- vaker boos, verdrietig of angstig reageren;
- minder eten tijdens gezamenlijke maaltijden;
- bezittingen verstoppen;
- vaak spullen kwijt zijn;
- niet meer alleen door een gang durven;
- steeds dicht bij medewerkers blijven;
- plotseling van vaste gewoontes veranderen;
- herhaald vragen om een andere plaats;
- slecht slapen;
- onverklaarde lichamelijke klachten;
- contact met naasten verminderen;
- zeggen dat anderen die persoon niet mogen;
- een activiteit verlaten zodra bepaalde bewoners binnenkomen;
- sterk reageren op ogenschijnlijk kleine gebeurtenissen.
Eén signaal bewijst niet dat sprake is van pesten of sociale onveiligheid. Een combinatie van signalen en een duidelijke gedragsverandering vraagt wel om zorgvuldig onderzoek.
Signalen binnen de bewonersgroep
Mogelijke signalen zijn:
- een vaste groep bepaalt de zitplaatsen;
- steeds dezelfde bewoner zit alleen;
- gesprekken stoppen wanneer iemand binnenkomt;
- bewoners kijken naar een dominante persoon voordat zij reageren;
- dezelfde bewoner is onderwerp van grapjes;
- iemand wordt steeds van tafel of uit een ruimte gestuurd;
- meerdere bewoners gebruiken dezelfde bijnaam;
- een bewoner deelt voortdurend informatie over anderen;
- anderen durven een bepaalde bewoner niet tegen te spreken;
- medewerkers horen steeds dezelfde verklaring;
- gedrag verandert wanneer personeel nadert;
- één persoon krijgt de schuld van alle spanningen;
- bewoners zeggen individueel iets anders dan in de groep;
- een bewoner wordt alleen betrokken wanneer die iets kan geven;
- bepaalde bewoners worden niet geïnformeerd over activiteiten.
Signalen binnen het medewerkersteam
Mogelijke signalen zijn:
- signalen van bewoners worden niet overgedragen;
- medewerkers verschillen sterk in de grenzen die zij stellen;
- collega’s zeggen dat bepaald gedrag er nu eenmaal bij hoort;
- klachten van bewoners worden als zeuren afgedaan;
- medewerkers durven een collega niet aan te spreken;
- incidenten worden niet of onvolledig gemeld;
- dezelfde medewerker wordt steeds verantwoordelijk gemaakt;
- bewoners worden in negatieve termen besproken;
- kwetsende bijnamen worden intern normaal gevonden;
- nieuwe medewerkers nemen onveilig gedrag snel over;
- melders ervaren afstand of tegenwerking;
- vrijwilligers weten niet bij wie zij signalen moeten melden;
- tijdens verschillende diensten gelden andere normen;
- teamleden zijn vooral bezig met het vermijden van schuld;
- er is weinig tijd voor reflectie en overdracht.
Signalen op organisatieniveau
Mogelijke signalen zijn:
- herhaald incidenten op dezelfde afdeling;
- veel personeelsverloop;
- hoog ziekteverzuim;
- veel wisselende tijdelijke medewerkers;
- bewoners of naasten dienen soortgelijke klachten in;
- klachten worden afzonderlijk behandeld zonder patronen te analyseren;
- medewerkers weten niet wat onder sociale onveiligheid valt;
- onduidelijkheid over meldprocedures;
- weinig meldingen ondanks zichtbare spanningen;
- incidenten leiden niet tot aantoonbare verbeteringen;
- locatiemanagers hebben onvoldoende zicht op groepsdynamiek;
- vrijwilligers krijgen geen instructie over ongewenst gedrag;
- bewonersraden worden niet bij sociale veiligheid betrokken;
- beleid richt zich vooral op fysieke en medische veiligheid;
- na een incident wordt alleen de betrokken bewoner verplaatst;
- de cultuur en omgeving blijven onveranderd.
Waarom weinig meldingen niet automatisch veiligheid betekenen
Bewoners, medewerkers, vrijwilligers en naasten kunnen redenen hebben om niet te melden.
Bewoners kunnen zwijgen omdat zij:
- afhankelijk zijn van zorg;
- bang zijn voor gevolgen;
- niet weten waar zij terechtkunnen;
- denken dat zij niet worden geloofd;
- anderen niet tot last willen zijn;
- cognitieve of communicatieve beperkingen hebben;
- zich schamen;
- het gedrag niet goed kunnen uitleggen.
Medewerkers kunnen zwijgen omdat zij:
- bang zijn voor reacties van collega’s of leidinggevenden;
- denken dat melden niets verandert;
- personeelstekort niet verder willen belasten;
- bang zijn als onbekwaam te worden gezien;
- het gedrag als onderdeel van het werk zijn gaan beschouwen;
- niet weten of iets meldwaardig is;
- negatieve gevolgen voor hun rooster, beoordeling of contract vrezen.
Vrijwilligers en naasten kunnen zwijgen omdat zij niet weten wie verantwoordelijk is of bang zijn dat de relatie met de organisatie verslechtert. Een veilige meldcultuur vraagt dus meer dan een formulier. Mensen moeten ervaren dat signalen serieus, zorgvuldig en zonder benadeling worden behandeld.
Wat kunnen medewerkers doen bij signalen van sociale onveiligheid?
Grijp direct in bij onveilig gedrag
Wanneer iemand wordt bedreigd, vernederd, buitengesloten of lichamelijk benaderd, moet het concrete gedrag worden gestopt.
Mogelijke zinnen zijn:
- “Deze opmerking is niet respectvol. We stoppen hiermee.”
- “Deze stoel is niet van één persoon. We zorgen dat iedereen hier veilig kan zitten.”
- “Ik zie dat mevrouw niet bij het gesprek wordt betrokken. We geven haar nu ruimte om te reageren.”
- “U hoeft deze bijnaam niet te accepteren. We gebruiken uw eigen naam.”
- “Persoonlijke informatie bespreken we niet in de gezamenlijke ruimte.”
- “Ik zie dat meneer wordt weggestuurd. Dat is niet hoe wij hier met elkaar omgaan.”
Benoem gedrag zonder iemand publiekelijk als slachtoffer aan te wijzen
Maak duidelijk welk gedrag ongewenst is, maar voorkom dat de betrokken bewoner het eigen verhaal voor de hele groep moet verdedigen.
Zorg voor directe veiligheid
Onderzoek:
- Kan de bewoner veilig in de gezamenlijke ruimte blijven?
- Is tijdelijk extra toezicht nodig?
- Moeten zitplaatsen of activiteiten anders worden georganiseerd?
- Is een afzonderlijk gesprek nodig?
- Moeten naasten of behandelaars worden betrokken?
- Is medische of gedragskundige beoordeling nodig?
- Kan het gedrag direct opnieuw plaatsvinden?
Leg concreet vast wat je hebt gezien
Noteer:
- datum en tijd;
- plaats;
- feitelijk gedrag;
- gebruikte woorden;
- betrokken personen;
- aanwezige omstanders;
- wat eraan voorafging;
- hoe anderen reageerden;
- welke gevolgen zichtbaar waren;
- welke interventie is uitgevoerd;
- wat daarna gebeurde.
Vermijd alleen algemene beschrijvingen zoals “bewoner was lastig” of “er was gedoe”.
Deel signalen tijdens overdracht
Een patroon wordt vaak pas zichtbaar wanneer observaties uit meerdere diensten, ruimtes en activiteiten worden samengebracht.
Luister afzonderlijk naar betrokkenen
Spreek bewoners, medewerkers en mogelijke getuigen waar mogelijk afzonderlijk. Voorkom dat dominante personen het gesprek bepalen.
Blijf controleren
Vraag niet alleen of het incident voorbij is. Controleer:
- Durft de bewoner weer in de ruimte te komen?
- Is de uitsluiting gestopt?
- Wordt dezelfde bijnaam nog gebruikt?
- Zijn spullen veilig?
- Wordt de bewoner weer betrokken?
- Is het gedrag verplaatst naar momenten zonder toezicht?
- Zien medewerkers uit andere diensten hetzelfde?
- Voelt de bewoner zich veiliger?
De rol van vrijwilligers
Vrijwilligers kunnen veel zien tijdens activiteiten, vervoer, koffiemomenten en informele gesprekken.
Vrijwilligers moeten weten:
- welk gedrag ongewenst is;
- welke grenzen zij zelf mogen stellen;
- wanneer zij direct een medewerker moeten inschakelen;
- hoe zij signalen feitelijk vastleggen;
- bij wie zij een melding doen;
- wat zij wel en niet met anderen mogen bespreken;
- dat zij geen zelfstandig onderzoek hoeven te voeren;
- dat vertrouwelijkheid niet betekent dat ernstige onveiligheid geheim moet blijven.
Vrijwilligers mogen niet de enige personen zijn die verantwoordelijk worden gemaakt voor het bewaken van sociale veiligheid. De organisatie blijft verantwoordelijk voor duidelijke kaders, begeleiding en opvolging.
De rol van naasten en mantelzorgers
Naasten kennen vaak het eerdere gedrag, de gewoontes en de signalen van spanning van een bewoner.
Zij kunnen belangrijke informatie geven over:
- plotseling veranderend gedrag;
- angst voor bepaalde personen;
- vermijding van activiteiten;
- verdwenen bezittingen;
- opmerkingen die de bewoner thuis of tijdens bezoek maakt;
- lichamelijke of emotionele signalen;
- veranderingen in slaap, eetlust of stemming.
Naasten moeten weten waar zij met zorgen terechtkunnen en wanneer zij terugkoppeling krijgen. Tegelijkertijd moeten privacy, autonomie en de wensen van de bewoner worden gerespecteerd.
Het betrekken van naasten kan bijdragen aan een beter begrip van de wensen en behoeften van bewoners en aan zorg die veiligheid en geborgenheid ondersteunt. (waardigheidentrots_nl)
De rol van locatiemanagers en bestuurders
Sociale veiligheid kan niet uitsluitend aan individuele zorgmedewerkers worden overgelaten.
Locatiemanagers en bestuurders moeten zorgen voor:
- duidelijke gedragsnormen;
- voldoende deskundigheid;
- werkbare meldprocedures;
- veilige personeelsbezetting;
- tijd voor overdracht en reflectie;
- ondersteuning bij complex gedrag;
- consequente opvolging van signalen;
- bescherming van melders;
- analyse van terugkerende patronen;
- betrokkenheid van bewoners en naasten;
- toezicht op vrijwilligersbeleid;
- aandacht voor sociale veiligheid binnen kwaliteitsplannen;
- toetsing of maatregelen daadwerkelijk werken;
- een cultuur waarin medewerkers fouten en twijfels durven bespreken.
Goede sturing op kwaliteit en veiligheid vraagt om duidelijke verantwoordelijkheden, risicomanagement en een lerende organisatie. (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd)
Veelgemaakte fouten bij sociale onveiligheid
Gedrag afdoen als onderdeel van ouder worden
Ouderdom verklaart niet automatisch vernederen, buitensluiten of pesten.
Zeggen dat bewoners elkaar niet aardig hoeven te vinden
Dat klopt, maar bewoners moeten wel veilig gebruik kunnen maken van hun woonomgeving en voorzieningen. Geen vriendschap willen is iets anders dan structureel uitsluiten of intimideren.
Alleen degene die wordt buitengesloten verplaatsen
Hierdoor kan de bewoner opnieuw het gevoel krijgen dat die persoon het probleem is, terwijl de groepscultuur onveranderd blijft.
Alles verklaren vanuit dementie
Een aandoening kan gedrag beïnvloeden, maar ook dan moeten anderen worden beschermd en moet worden onderzocht welke professionele aanpak nodig is.
Bewoners direct samen laten uitpraten
Bij een machtsverschil, angst of cognitieve beperking kan een gezamenlijk gesprek onveilig of ongeschikt zijn.
Alleen naar één incident kijken
Sociale onveiligheid bestaat vaak uit terugkerende kleine gebeurtenissen.
Alleen de zichtbaar boze bewoner aanspreken
De boosheid kan een reactie zijn op langdurig negeren, kleineren of provoceren.
Verschillende normen per medewerker hanteren
Wanneer de ene medewerker gedrag begrenst en de andere het als grapje afdoet, blijft de situatie onduidelijk en onveilig.
Alleen beleid op papier hebben
Bewoners, vrijwilligers en medewerkers moeten in de praktijk weten wat de norm is en merken dat deze consequent wordt toegepast.
Denken dat geen klachten gelijkstaat aan veiligheid
Afhankelijkheid, angst, schaamte en communicatieproblemen kunnen melden belemmeren.
Hoe bouw je aan een sociaal veilig woonzorgcentrum?
1. Formuleer concrete omgangsnormen
Een algemene afspraak als “wij respecteren elkaar” is onvoldoende.
Maak concreet dat:
- bewoners niet worden weggestuurd uit gezamenlijke ruimtes;
- kwetsende bijnamen niet worden gebruikt;
- persoonlijke informatie niet openbaar wordt besproken;
- iedereen wordt betrokken bij relevante communicatie;
- ongewenste aanrakingen worden gestopt;
- roddelen en vernederen worden begrensd;
- melders niet worden benadeeld;
- medewerkers bewoners rechtstreeks aanspreken;
- bewoners niet als kinderen worden behandeld;
- dezelfde normen gelden tijdens alle diensten.
2. Maak sociale veiligheid bespreekbaar
Bespreek regelmatig:
- hoe bewoners de sfeer ervaren;
- welke ruimtes of momenten onveilig voelen;
- welke signalen medewerkers zien;
- hoe vrijwilligers ongewenst gedrag herkennen;
- welke incidenten zich herhalen;
- of naasten weten waar zij terechtkunnen;
- welke bewoners risico lopen op sociaal isolement;
- of medewerkers vrijuit durven spreken.
3. Observeer gezamenlijke ruimtes
Let op:
- wie waar zit;
- wie geen plaats krijgt;
- wie wordt begroet;
- wie wordt genegeerd;
- wie de gesprekken bepaalt;
- wie wordt onderbroken;
- wie steeds als onderwerp van grapjes dient;
- welke bewoners ruimtes vermijden;
- welke bewoners alleen deelnemen bij extra begeleiding;
- hoe gedrag verandert wanneer medewerkers aanwezig zijn.
4. Organiseer activiteiten sociaal veilig
Voorkom dat bewoners steeds zelf groepjes moeten vormen of afhankelijk worden van dominante groepsleden.
Zorg voor:
- actieve begeleiding;
- wisselende en passende samenstellingen;
- aandacht voor communicatiebeperkingen;
- meerdere manieren om deel te nemen;
- een veilige plaats voor bewoners die snel overprikkeld raken;
- toezicht op groepsreacties;
- evaluatie met bewoners en begeleiders.
5. Versterk omstanders
Bewoners, medewerkers en vrijwilligers kunnen leren dat kleine acties verschil maken:
- iemand begroeten;
- een plaats vrijmaken;
- niet meelachen;
- iemand bij een gesprek betrekken;
- hulp halen;
- informatie doorgeven;
- een kwetsende opmerking onderbreken;
- na afloop steun bieden.
6. Werk methodisch en cyclisch
Sociale veiligheid vraagt om:
- signaleren;
- analyseren;
- doelen vaststellen;
- maatregelen uitvoeren;
- controleren;
- bijstellen.
Methodisch werken en een terugkerende plan-do-check-actcyclus helpen om verbeteringen systematisch te volgen. (waardigheidentrots_nl)
7. Betrek bewoners en naasten
Vraag niet alleen naar tevredenheid, maar ook concreet:
- Voelt u zich vrij om overal te gaan zitten?
- Zijn er personen die u liever vermijdt?
- Wordt er naar u geluisterd?
- Kunt u aangeven wanneer iets niet prettig is?
- Weet u bij wie u terechtkunt?
- Worden uw zorgen serieus genomen?
- Voelt u zich veilig tijdens maaltijden en activiteiten?
- Wordt er over u gesproken terwijl u erbij bent?
8. Zorg voor deskundigheid en reflectie
Medewerkers en vrijwilligers moeten leren:
- subtiele sociale onveiligheid herkennen;
- onderscheid maken tussen conflict en pesten;
- gedrag feitelijk observeren;
- rekening houden met cognitieve beperkingen;
- veilig grenzen stellen;
- omgaan met agressie;
- bewoners afzonderlijk spreken;
- groepsdynamiek herkennen;
- zorgvuldig melden en overdragen;
- na een incident langdurig volgen.
Vragen voor onderzoek naar sociale onveiligheid
Vraag niet alleen: “Voelt u zich veilig?” Die vraag kan te algemeen zijn.
Stel concrete vragen, zoals:
- Met wie zit u meestal aan tafel?
- Kunt u zelf kiezen waar u gaat zitten?
- Zijn er plaatsen waar u liever niet komt?
- Wie bepaalt meestal wie mee kan doen?
- Wordt er naar u geluisterd?
- Zijn er bijnamen of grapjes die u niet prettig vindt?
- Zijn er bewoners voor wie u bang bent?
- Worden uw spullen weleens verplaatst of meegenomen?
- Krijgt u alle informatie over activiteiten?
- Wat gebeurt er als u zegt dat u iets niet wilt?
- Wie helpt u als iets vervelends gebeurt?
- Heeft u eerder iets verteld?
- Wat gebeurde er daarna?
- Zijn er momenten waarop er weinig medewerkers aanwezig zijn?
- Wat zou u nodig hebben om zich veiliger te voelen?
Bij cognitieve of communicatieve beperkingen moeten vragen worden aangepast en moeten observaties, informatie van naasten en professionele beoordeling worden gecombineerd.
Checklist sociale veiligheid in woonzorgcentra
Deze checklist is geen beoordelingsinstrument of diagnose. De combinatie en herhaling van signalen bepalen of verder onderzoek nodig is.
Controleer of:
- bewoners veilig gebruikmaken van gezamenlijke ruimtes;
- bewoners niet structureel worden buitengesloten;
- kwetsende bijnamen worden begrensd;
- medewerkers rechtstreeks met bewoners spreken;
- persoonlijke informatie vertrouwelijk wordt behandeld;
- bewoners weten waar zij zorgen kunnen melden;
- naasten weten wie hun aanspreekpunt is;
- vrijwilligers instructies hebben over ongewenst gedrag;
- signalen tussen diensten worden overgedragen;
- incidenten feitelijk worden vastgelegd;
- herhaalde gebeurtenissen gezamenlijk worden geanalyseerd;
- cognitieve en medische oorzaken zorgvuldig worden onderzocht;
- de veiligheid van andere bewoners wordt beschermd;
- medewerkers ongewenst gedrag bij collega’s durven benoemen;
- melders geen negatieve gevolgen ervaren;
- leidinggevenden zichtbaar en consequent handelen;
- bewoners en naasten worden betrokken bij verbeteringen;
- maatregelen na verloop van tijd worden geëvalueerd;
- sociale veiligheid onderdeel is van het kwaliteitsbeleid;
- niet alleen fysieke, maar ook sociale risico’s worden onderzocht.
Veelgestelde vragen over sociale veiligheid in woonzorgcentra
Wat betekent sociale veiligheid in een woonzorgcentrum?
Sociale veiligheid betekent dat bewoners, medewerkers, vrijwilligers en naasten beschermd worden tegen onder meer vernederen, pesten, buitensluiten, bedreigen, discrimineren en grensoverschrijdend gedrag. Zij moeten zorgen kunnen bespreken zonder angst voor negatieve gevolgen.
Kan pesten tussen bewoners in een woonzorgcentrum voorkomen?
Ja. Pesten kan onder meer bestaan uit structureel negeren, roddelen, kwetsende bijnamen, spullen verplaatsen, iemand niet aan tafel laten zitten of een bewoner herhaald uitsluiten van activiteiten.
Wanneer is buitensluiten pesten?
Buitensluiten kan pesten worden wanneer dezelfde bewoner herhaald wordt uitgesloten, sprake is van een machtsverschil en de bewoner het gedrag niet zelfstandig kan stoppen.
Hoe herken je sociale onveiligheid bij een bewoner?
Mogelijke signalen zijn gezamenlijke ruimtes vermijden, niet meer deelnemen aan activiteiten, spanning bij bepaalde personen, veranderd eet- of slaapgedrag, bezittingen verstoppen en plotseling vaker op de eigen kamer blijven.
Is ruzie tussen bewoners hetzelfde als pesten?
Nee. Bij een ruzie of conflict kunnen beide betrokkenen doorgaans invloed uitoefenen. Bij pesten is sprake van herhaling en een machtsverschil waardoor één persoon zich moeilijk kan verdedigen.
Hoe herken je subtiel pesten in een woonzorgcentrum?
Let op terugkerend negeren, geen plaats vrijhouden, gesprekken stoppen wanneer iemand komt, informatie niet delen, veelbetekenende blikken, fluisteren en steeds dezelfde bewoner als onderwerp van grapjes gebruiken.
Kan gedrag door dementie pesten zijn?
Dementie of een andere aandoening kan gedrag beïnvloeden. Daarom is professionele beoordeling nodig. Een verklaring voor gedrag betekent echter niet dat andere bewoners of medewerkers onbeschermd moeten blijven.
Wat moet een medewerker doen wanneer een bewoner wordt buitengesloten?
Benoem en stop het concrete gedrag, zorg voor veiligheid, leg de observatie feitelijk vast, deel het signaal met collega’s en onderzoek of sprake is van een terugkerend groepspatroon.
Moeten bewoners het zelf met elkaar uitpraten?
Niet altijd. Bij angst, een machtsverschil, cognitieve problemen of herhaald pestgedrag kan een gezamenlijk gesprek onveilig of niet passend zijn.
Welke rol hebben omstanders?
Omstanders kunnen het gedrag versterken door mee te lachen, mee te doen of te zwijgen. Zij kunnen ook helpen door iemand te betrekken, niet mee te doen, steun te geven of een medewerker in te schakelen.
Wat kunnen vrijwilligers doen?
Vrijwilligers kunnen signalen herkennen, onveilig gedrag niet ondersteunen en zorgen direct delen met hun vaste aanspreekpunt. Zij moeten geen zelfstandig onderzoek uitvoeren.
Hoe kunnen naasten sociale onveiligheid herkennen?
Naasten kunnen letten op gedragsveranderingen, angst, vermijden van ruimtes of activiteiten, verdwenen spullen en opmerkingen over andere bewoners of medewerkers.
Wat is de rol van de locatiemanager?
De locatiemanager moet zorgen voor duidelijke normen, deskundige medewerkers, veilige meldmogelijkheden, consequente opvolging, analyse van patronen en bescherming van betrokkenen.
Is sociale veiligheid onderdeel van goede zorg?
Ja. Persoonsgerichte zorg, wonen en welzijn, veiligheid en leren en verbeteren zijn nauw met elkaar verbonden. Bewoners moeten kunnen rekenen op veilige zorg die past bij hun persoonlijke situatie. (Zorginstituut Nederland)
Moet geweld in de zorgrelatie worden gemeld?
Zorgaanbieders moeten geweld in de zorgrelatie dat onder de wettelijke meldplicht valt melden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Het kan gaan om lichamelijk en geestelijk geweld, seksueel grensoverschrijdend gedrag, seksueel misbruik en dwang. (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd)
Valt pesten van medewerkers onder de Arbowet?
Ja. Pesten is een vorm van psychosociale arbeidsbelasting. De werkgever moet beleid voeren om dit te voorkomen of te beperken. (Arboportaal)
Waarom is alleen een protocol niet voldoende?
Een protocol heeft pas effect wanneer mensen het kennen, meldingen veilig worden opgevolgd, leidinggevenden zichtbaar handelen en de dagelijkse groepscultuur werkelijk verandert.
Hoe kun je sociale veiligheid structureel verbeteren?
Door duidelijke normen, deskundigheid, veilige meldmogelijkheden, observatie, bewonersparticipatie, methodisch werken, bescherming van melders en voortdurende evaluatie met elkaar te verbinden.
Stop Pesten Nu: kenniscentrum over pesten en sociale veiligheid
Stop Pesten Nu is een onafhankelijk kennis-, informatie- en expertisecentrum over pesten en online pesten. Wij benaderen pesten als een groepsproces en kijken niet alleen naar degene die pest en degene die wordt gepest. Binnen woonzorgcentra besteden wij aandacht aan:
- pesten en buitensluiten tussen bewoners;
- groepsdynamiek in gezamenlijke woonruimtes;
- de rol van omstanders;
- ongewenste omgangsvormen;
- sociale veiligheid binnen zorgteams;
- de positie van vrijwilligers;
- het betrekken van naasten;
- het herkennen van subtiele signalen;
- veilig handelen bij meldingen;
- het veranderen van groeps- en organisatiecultuur.
Pesten en sociale onveiligheid zijn geen problemen die uitsluitend door de betrokken bewoner of medewerker moeten worden opgelost. Een duurzame aanpak vraagt om duidelijke normen, betrouwbare professionals, verantwoord leiderschap en een wooncultuur waarin iedereen invloed heeft op veiligheid.
Stop Pesten Nu ontvangt geen subsidies en geen structurele steun en is volledig afhankelijk van donaties en betaalde trainingen. Met onze kennis, informatie en opleidingen ondersteunen wij organisaties en professionals bij het herkennen, voorkomen en aanpakken van pesten en sociale onveiligheid.
Bronnen en wetenschappelijke onderbouwing
Deze pagina is gebaseerd op informatie van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Zorginstituut Nederland, het Arboportaal, Waardigheid en Trots en wetenschappelijke inzichten van onderzoekers verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Het kwaliteitskader voor de verpleeghuiszorg beschrijft persoonsgerichte zorg, wonen en welzijn, veiligheid en leren en verbeteren als samenhangende thema’s. De relatie tussen de bewoner, naasten, zorgverleners en de organisatie draagt bij aan de kwaliteit van zorg en kwaliteit van leven. (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd)
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg. Bepaalde vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, seksueel grensoverschrijdend gedrag, seksueel misbruik en dwang binnen de zorgrelatie vallen onder een wettelijke meldplicht. (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd)
Voor medewerkers vallen pesten, agressie en geweld, discriminatie en seksuele intimidatie onder psychosociale arbeidsbelasting. Werkgevers moeten deze risico’s voorkomen of beperken en een veilige werkomgeving ondersteunen. (Arboportaal)
De Rijksuniversiteit Groningen beschrijft pesten als een groepsproces waarin groepsnormen, sociale posities, meelopers, aanmoedigers, buitenstaanders en verdedigers invloed hebben op het voortbestaan of stoppen van pesten. Omdat dit onderzoek hoofdzakelijk is uitgevoerd binnen onderwijscontexten, gebruiken wij de inzichten als zorgvuldig te vertalen kader voor groepsprocessen en niet als rechtstreeks bewijs voor iedere woonzorgsituatie. (University of Groningen)

