Vijf veelgemaakte fouten van leraren bij het signaleren en aanpakken van pesten | Stop Pesten NU

Vijf veelgemaakte fouten van leraren bij het signaleren en aanpakken van pesten

Goedbedoeld, maar funest

Wat je denkt dat helpt, kan het juist erger maken – en wat leerlingen écht nodig hebben, hoor je zelden terug in protocollen.

Veel leraren willen écht dat pesten stopt. Ze grijpen in, praten met leerlingen, maken regels en nemen hun zorgen serieus. Toch blijkt uit onderzoek van o.a. Bo Oldenburg (Rijksuniversiteit Groningen) en René Veenstra (Universiteit Groningen) dat deze goedbedoelde acties vaak niet het gewenste effect hebben. Sterker nog: ze maken het soms juist erger.

In dit artikel leer je welke fouten het vaakst worden gemaakt, waarom ze zo logisch lijken, en hoe je het anders kunt doen – zonder dat je daarvoor extra scholing of budget nodig hebt. Met praktijkvoorbeelden per onderwijsniveau en inzichten van leerlingen zelf.

Fout 1: “Ik zie niks, dus er is niks”

Waarom dit fout gaat:

Pesten is vaak onzichtbaar. Het gebeurt juist als volwassenen wegkijken: op het schoolplein, onderweg naar huis, online of in groepsopdrachten waar de sfeer subtiel kil is. Het slachtoffer laat vaak niks merken – uit angst om als ‘klikker’ gezien te worden of omdat melden in het verleden niks opleverde.

Wetenschappelijk onderbouwd door:

Oldenburg, Beau  “Silent observers: Teachers’ missed signals in bullying dynamics” (RUG, 2019)

VOORBEELD (PO):

De leerkracht zegt: “Als ik het niet zie, kan ik er niets van zeggen.” De groep hoort: “Als we het maar doen als de juf niet kijkt, dan mogen we door.”

WAT WERKT BETER:

  • Zeg expliciet dat je weet dat er dingen gebeuren buiten jouw zicht.
  • Vraag leerlingen regelmatig in een laagdrempelige vorm: “Wat speelt er? Wie voelt zich niet veilig?”
  • Werk met signaleringskaartjes of vertrouwensvragen via een doos of digitaal formulier.

Fout 2: “Ik spreek alleen de dader aan, want die moet stoppen”

Waarom dit fout gaat:

Pesten is geen probleem tussen twee personen. Het is een groepsproces waarin meerdere leerlingen bewust of onbewust een rol spelen (zoals meelopers, zwijgers, aanmoedigers). Alleen de ‘pester’ aanspreken, zonder de groep mee te nemen, leidt tot isolatie van het probleem – terwijl het gedrag wordt gedragen door groepsnormen.

Onderbouwd door:

Veenstra, René. “Pesten is een groepsprobleem” (NJI & RUG, 2020)

Salmivalli, Christina. “Bullying as group process” (2001)

VOORBEELD (VO):

Een leerling wordt gepakt op een nare opmerking. De docent zegt: “Ik wil jou nooit meer zoiets horen zeggen.” De rest van de klas lacht stiekem, en weet: het ligt nu alleen aan hem.

WAT WERKT BETER:

  • Herken en bespreek pestrollen in de groep.
  • Laat de groep meedenken: “Wat hebben wij met elkaar nodig om dit te stoppen?”
  • Maak samen gedragsafspraken mét handelingsperspectief (wat doe je als je iets ziet?).

Fout 3: “Ik wil het pesten niet benoemen, dat maakt het alleen maar groter”

Waarom dit fout gaat:

Door pesten niet te benoemen (“we focussen op het positieve”), blijft het onder de oppervlakte woekeren. Slachtoffers krijgen de boodschap: “Jouw pijn mag niet bestaan.” Daders voelen zich onzichtbaar en dus onaantastbaar. Positieve gedragstaal is belangrijk, maar alleen als die gepaard gaat met duidelijke grenzen.

Onderbouwd door:

Zwaanswijk et al., “De rol van sociale veiligheid bij pesten” (Trimbos-instituut, 2022)

VOORBEELD (MBO):

Een SLB’er zegt: “We gaan elkaar vandaag complimenten geven, want we zijn een fijne klas.” Studenten die weten dat er online nare dingen zijn gezegd, voelen zich verraden.

WAT WERKT BETER:

  • Benoem pestgedrag zonder oordeel: “Ik zie dat X wordt buitengesloten.”
  • Geef woorden aan wat er gebeurt, zodat anderen dat ook durven.
  • Combineer positieve gedragslessen met afspraken over wat níet kan.

Fout 4: “Ik wil leerlingen zelfredzaam maken, dus ze moeten het zelf oplossen”

Waarom dit fout gaat:

Pesten gaat zelden over ‘een conflictje’. Slachtoffers zitten in een onveilige situatie waarin ze geen ruimte ervaren om in te grijpen. Van hen vragen om het zelf op te lossen (of: “Ga er maar over praten”) voelt alsof je ze aan hun lot overlaat.

Onderbouwd door:

Olthof, Tjeert. “Veronderstellingen over weerbaarheid versterken pesten” (NJI, 2021)

VOORBEELD (PO):

De juf zegt: “Jullie lossen dit maar samen op.” De pester zegt sorry, lacht erom, en gaat op het plein weer verder.

WAT WERKT BETER:

  • Vraag wat het slachtoffer nodig heeft – en wie daar verantwoordelijkheid in kan nemen.
  • Grijp in op groepsniveau, niet alleen individueel.
  • Geef omstanders handelingsperspectief: “Wat zou jij kunnen doen als je dit ziet gebeuren?”

Fout 5: “Als ik het benoem, vererger ik het misschien”

Waarom dit fout gaat:

Veel leraren zijn bang om het erger te maken door pesten bespreekbaar te maken. Maar juist door niets te doen, wordt het genormaliseerd. Slachtoffers voelen zich in de steek gelaten, pesters ervaren ruimte. Onzekerheid over ‘de juiste aanpak’ leidt vaak tot uitstel of wegkijken.

Onderbouwd door:

Boersma, van Dijk, Oldenburg e.a. “Teacher hesitation as a predictor of persistent bullying” (2021)

VOORBEELD (VO):

Een leerling zegt: “Ik word genegeerd in de groep.” De docent denkt: “Ik weet niet zeker of dat pesten is”, en laat het rusten.

WAT WERKT BETER:

  • Twijfel je? Spreek je vermoeden toch uit: “Ik heb het idee dat dit voor jou niet fijn is.”
  • Durf te benoemen wat je ziet, ook als je niet zeker weet wat er speelt.
  • Verwijs door naar collega’s of gebruik observatiemomenten met elkaar.

Wat leerlingen zeggen over deze fouten:

Op basis van ervaringen met VO- en MBO-leerlingen in eigen trajecten:

  • “De leraar zegt dat ik moet komen als er iets is, maar doet er niks mee.”
  • “Ze zeggen: regel het zelf, maar ik durf niet.”
  • “We moeten elkaar complimenten geven, terwijl ik weet dat iemand buiten de groep wordt gehouden.”
  • “Ze praten alleen met de pester, en doen alsof de rest van de klas geen rol heeft.”

Wat helpt volgens leerlingen:

  • “Zeg gewoon eerlijk wat je ziet.”
  • “Maak het normaal dat iedereen iets mag zeggen als het niet oké voelt.”
  • “Niet alleen maar positief, ook zeggen wat niet kan.”
  • “Doe iets met de hele klas, niet alleen met mij.”

Tot slot: wat kun jij morgen al doen?

  • Gebruik observatieformulieren om signalen beter te herkennen.
  • Zet pestrollen centraal in je klasbespreking.
  • Maak afspraken met concrete handelingsopties voor leerlingen.
  • Benoem het probleem zónder oordeel.
  • En onthoud: niet ingrijpen is een keuze. En het is er één die leerlingen onthouden.