Lesidee VO bovenbouw Kraak de code: geen excuus

VO bovenbouw Kraak de code: geen excuus

Herkenbaar uit de praktijk

Wanneer de mentor van klas 1D een leerling aanspreekt op pestgedrag richting een klasgenoot, zegt een ander in de klas: “Ja maar, hij heeft het thuis best zwaar, zijn ouders zijn net gescheiden.” De opmerking is aardig bedoeld, maar heeft een onbedoeld effect: de klas begint het gedrag te verklaren in plaats van het aan te pakken, en de leerling die gepest wordt, blijft achter met het gevoel dat zijn probleem minder telt dan de problemen van de leerling die hem pest. Dit patroon komt niet alleen bij leerlingen voor. Onderzoek laat zien dat ook leerkrachten hier gevoelig voor zijn: wanneer een leerkracht pestgedrag sterk toeschrijft aan iets buiten zijn eigen invloed, zoals de thuissituatie van een leerling, grijpt hij minder snel en minder effectief in, waarschijnlijk omdat hij dan denkt dat ingrijpen toch weinig zin heeft.

Deze les zet dat patroon op scherp: een reden voor gedrag is geen excuus voor gedrag. Leerlingen kraken in deze les een code door tien stellingen over pesten te ontrafelen als mythe of feit.

Wat leren leerlingen?

  • Leerlingen kunnen uitleggen waarom een reden voor pestgedrag nooit hetzelfde is als een excuus voor pestgedrag.
  • Leerlingen herkennen tien veelvoorkomende mythes en feiten over pesten en kunnen per stelling uitleggen waarom.
  • Leerlingen begrijpen dat iedereen in de klas invloed houdt op pestgedrag, ongeacht de reden waarom iemand pest.
  • Leerlingen ervaren via een codekraak-opdracht dat zorgvuldig nadenken over een stelling loont: alleen bij de juiste antwoorden ontstaat een kloppende oplossing.

Waarom deze les

Onderzoek toont aan dat het toeschrijven van pestgedrag aan factoren buiten iemands eigen invloed, zoals de thuissituatie, averechts werkt: er worden meer leerlingen gepest wanneer een leerkracht pestgedrag sterk toeschrijft aan zulke externe factoren, waarschijnlijk omdat deze leerkrachten dan geloven dat ingrijpen weinig zin heeft. Terwijl leerkrachten wel degelijk invloed hebben op pesten in hun klas, ook als er lastige externe omstandigheden meespelen. Datzelfde patroon speelt onder leerlingen: zodra een klas een reden vindt om gedrag te verklaren, verdwijnt vaak de urgentie om er iets aan te doen. Deze les leert leerlingen dat begrip hebben voor iemands situatie en verantwoordelijkheid nemen voor gedrag geen tegenstelling zijn, maar allebei tegelijk waar kunnen zijn.

Doelgroep en moment van inzetten

Doelgroep: Onderbouw voortgezet onderwijs, leerjaar 1 en 2, alle niveaus.

Wanneer inzetten: Als vijfde les in de Week tegen Pesten. Ook geschikt op een moment dat in de klas de neiging ontstaat om pestgedrag van een klasgenoot te verklaren of goed te praten met diens persoonlijke omstandigheden.

Praktische informatie

Duur: 50 minuten (één lesuur)

Uitvoerder: Mentor of docent die de klas begeleidt

Benodigde materialen: Bord of digibord; de codetabel uit deze les, per groepje beschikbaar (voorgelezen, getoond op het digibord, of door de docent zelf overgenomen op een blad); pen en papier per groepje

Werkvormen: Codekraak-opdracht in groepjes van drie of vier, klassikale bespreking per stelling, korte individuele reflectie

Wetenschappelijke onderbouwing

Deze les is gebaseerd op het Teachers4Victims-onderzoek van de KU Leuven, waarin is aangetoond dat het toeschrijven van pestgedrag aan externe factoren zoals de thuissituatie samenhangt met meer pesten in de klas, vermoedelijk omdat leerkrachten die deze toeschrijving maken minder geloven in de zin van ingrijpen. Het onderzoek laat zien dat leerkrachten wél degelijk invloed hebben op pesten in hun klas, ook wanneer er moeilijke omstandigheden buiten school meespelen. Het onderzoek is uitgevoerd onder leerlingen in het basisonderwijs; het onderliggende mechanisme, dat een verklaring voor gedrag de motivatie om in te grijpen kan verminderen, wordt in de vakliteratuur breed erkend en is evengoed relevant voor de klasdynamiek in het voortgezet onderwijs.

Deze les sluit aan bij de kernvisie van Stop Pesten Nu dat pesten een groepsproces is en dat groepsnormen kunnen veranderen, ongeacht de individuele achtergrond van leerlingen. Meer hierover op www.stoppestennu.nl, via de pagina “Invloed van groepsnormen op pestgedrag”.

Lesopbouw

Tijd

Onderdeel

Werkvorm

0-5 min

Opening: de opmerking in klas 1D

Klassikaal, voorlezen

5-10 min

Uitleg: reden is geen excuus

Korte instructie

10-30 min

Codekraak-opdracht met tien stellingen

Groepjes van drie of vier

30-44 min

Klassikale bespreking per stelling

Klassengesprek

44-48 min

Reflectieopdracht

Individueel

48-50 min

Afsluiting

Klassikaal

 

Opening: sprekerstekst

Lees voor: “Stel: een mentor spreekt een leerling aan op pestgedrag. Een klasgenoot zegt dan: ‘Ja maar, hij heeft het thuis best zwaar.’ Die opmerking is aardig bedoeld. Maar het zorgt er wel voor dat de klas het gedrag begint te verklaren in plaats van het aan te pakken, en de leerling die gepest wordt, voelt zich daardoor nog minder gehoord. Dit gebeurt niet alleen bij leerlingen. Onderzoek laat zien dat ook leerkrachten hier gevoelig voor zijn: als een leerkracht denkt dat pesten door de thuissituatie komt, grijpt hij minder snel in, omdat hij denkt dat het toch geen zin heeft. Vandaag gaan we uitzoeken waarom dat een denkfout is, door een code te kraken.”

Uitleg: een reden is geen excuus

Leg uit: “Er kan een reden zijn waarom iemand pest: het kan zijn dat diegene het thuis moeilijk heeft, gepest wordt in een andere groep, of onzeker is over zichzelf. Zo’n reden kan helpen om te begrijpen waarom iemand doet wat hij doet. Maar een reden is geen excuus. Iemand blijft verantwoordelijk voor zijn eigen gedrag, ook als er een reden voor is. En de klas blijft invloed houden op wat er gebeurt, ongeacht die reden. Als je zegt ‘zo is hij nu eenmaal, daar kunnen we niets aan doen’, geef je eigenlijk stilzwijgend toestemming voor het gedrag. Vandaag gaan we tien stellingen over dit onderwerp uitzoeken: is het een mythe, een fabel die niet klopt, of een feit, iets dat klopt volgens wat we weten over pesten?”

Codekraak-opdracht

Verdeel de klas in groepjes van drie of vier. Elk groepje krijgt de tien stellingen hieronder en bepaalt per stelling of het een mythe of een feit is. Bij elk antwoord hoort een letter. Wanneer alle tien stellingen zijn beantwoord, vullen de groepjes de bijbehorende letters in op volgorde van stelling 1 tot en met 10. Bij volledig juiste antwoorden ontstaat een woord van twee delen dat de kern van de les samenvat. Geef de groepjes twintig minuten. Loop rond en geef als hint, indien een groepje vastloopt: “Denk aan het verschil tussen een reden hebben voor iets en een excuus hebben voor iets.”

Nr

Stelling

Kies: mythe of feit

1

Een leerling die pest, heeft het vast moeilijk thuis, dus daar kunnen wij als klas weinig aan doen.

Mythe = letter G, feit = letter K

2

Pesten stopt vanzelf als de klas het gewoon negeert.

Mythe = letter E, feit = letter R

3

Pesten is een groepsproces, dus kan de hele klas invloed uitoefenen op of het stopt.

Feit = letter E, mythe = letter P

4

Als een leerkracht denkt dat pesten vooral door de thuissituatie komt, grijpt hij minder snel in.

Feit = letter N, mythe = letter T

5

Als iemand vaak pest, valt daar niets aan te veranderen, dat is nu eenmaal wie hij is.

Mythe = letter E, feit = letter L

6

Ook als er een reden is voor waarom iemand pest, blijft diegene verantwoordelijk voor zijn eigen gedrag.

Feit = letter X, mythe = letter W

7

Leerlingen die gepest worden, lokken dat meestal zelf uit.

Mythe = letter C, feit = letter H

8

Groepsnormen kunnen veranderen, ook al blijven dezelfde leerlingen in de klas zitten.

Feit = letter U, mythe = letter A

9

Als je zegt “zo is hij nu eenmaal”, geef je eigenlijk stilzwijgend toestemming voor het gedrag.

Feit = letter U, mythe = letter O

10

Begrip hebben voor de reden achter pestgedrag betekent dat je het gedrag goedkeurt.

Mythe = letter S, feit = letter J

 

Antwoordsleutel voor de docent: de juiste antwoorden zijn achtereenvolgens mythe, mythe, feit, feit, mythe, feit, mythe, feit, feit, mythe. Ingevuld levert dit de letters G, E, E, N, E, X, C, U, U, S op, samen te lezen als “geen excuus”. Groepjes die een andere, niet-kloppende letterreeks krijgen, weten meteen dat ze minstens één stelling opnieuw moeten bekijken; laat hen precies dat zelf ontdekken voordat je verklapt welke stelling het betreft.

Klassikale bespreking per stelling

Bespreek klassikaal welke groepjes de code “geen excuus” hebben gevonden en vraag wat zij denken dat deze twee woorden met de les te maken hebben. Loop daarna kort de stellingen langs waar de meeste groepjes over twijfelden, met de volgende uitleg en veelgemaakte denkfouten.

Stelling 1 en 6: een reden voor gedrag verklaart waarom iemand iets doet, maar neemt de verantwoordelijkheid voor dat gedrag niet weg. De veelgemaakte denkfout is te denken dat begrip hebben voor iemand betekent dat je zijn gedrag moet accepteren; dat is niet zo. Je kunt tegelijk begrip hebben voor iemands situatie én verwachten dat hij stopt met pesten.

Stelling 4: dit is een feit dat rechtstreeks uit onderzoek komt: leerkrachten die pestgedrag sterk toeschrijven aan de thuissituatie van een leerling, grijpen minder snel in, waarschijnlijk omdat ze denken dat ingrijpen toch weinig uithaalt. De veelgemaakte denkfout hier is te denken dat dit betekent dat de thuissituatie er niet toe doet; dat klopt niet, de thuissituatie kan wel degelijk meespelen, maar dat neemt niet weg dat ingrijpen op school effect heeft.

Stelling 8 en 9: groepsnormen zijn niet vast; ze veranderen zodra de meerderheid van een groep anders gaat reageren, ook zonder dat er nieuwe leerlingen bijkomen. “Zo is hij nu eenmaal” klinkt onschuldig, maar is in feite een manier om jezelf ervan te overtuigen dat ingrijpen geen zin heeft, wat precies het patroon is dat deze les wil doorbreken.

Stelling 10: dit is een mythe, en een belangrijke, want leerlingen verwarren dit vaak. Begrip hebben voor waarom iemand pest, bijvoorbeeld omdat hij het zelf moeilijk heeft, is iets anders dan het gedrag goedkeuren. Je kunt zeggen: “Ik snap dat je het moeilijk hebt, en tegelijk mag je dit niet doen bij een ander,” zonder dat die twee zinnen elkaar tegenspreken.

Reflectieopdracht

Laat elke leerling onderstaande vragen individueel en schriftelijk beantwoorden, met vijf minuten schrijftijd.

  • Heb jij weleens gedacht “hij kan er ook niets aan doen” over iemand die pestte? Veranderde dat wat jij vervolgens deed?
  • Wat zou jij zeggen tegen een klasgenoot die het pestgedrag van iemand anders verklaart met “hij heeft het gewoon moeilijk thuis”?
  • Wat betekent de code “geen excuus” voor jou persoonlijk, in je eigen klas?

Evaluatie

Sluit af met de vraag: “Als je nu iemand hoort zeggen ‘zo is hij nu eenmaal’, wat zou je daar in gedachten op antwoorden, ook als je het niet hardop zegt?” Vraag twee of drie leerlingen om kort te reageren. Deze afsluiting laat zien of de kernboodschap, een reden is geen excuus, is overgekomen.

 

 

Differentiatie

Voor leerjaar 1 kan de codekraak-opdracht worden beperkt tot zes stellingen, met een korter, makkelijker te onthouden codewoord; kies dan de stellingen 1, 2, 3, 6, 9 en 10. Voor leerjaar 2 kan de volledige set van tien stellingen worden gebruikt, eventueel met de aanvullende vraag om zelf een elfde stelling te bedenken die in dezelfde lijst zou passen. Voor vmbo-basis en -kader werkt het goed om per stelling een kort voorbeeld uit de eigen klas te vragen; voor havo en vwo kan worden doorgevraagd op de onderliggende redenering, bijvoorbeeld door te vragen waarom stelling 4 waar kan zijn zonder dat dit betekent dat leerkrachten geen invloed hebben.

Checklist voorbereiding

  • De codetabel met tien stellingen is klaar om te tonen, voor te lezen of uit te delen.
  • De antwoordsleutel (mythe, mythe, feit, feit, mythe, feit, mythe, feit, feit, mythe, met als code “geen excuus”) is paraat.
  • Er is pen en papier per groepje beschikbaar.
  • De klas is verdeeld in groepjes van drie of vier.

Bronnen

Onderwijssoort: 
VO / Voortgezet onderwijs