Lesidee VO bovenbouw Zeggen is geen klikken

VO bovenbouw Zeggen is geen klikken

Herkenbaar uit de praktijk

Sem ziet twee weken lang dat een klasgenoot, Tobias, tijdens de pauze steeds door dezelfde twee jongens wordt nagedaan: zijn manier van lopen, zijn stem, de manier waarop hij zijn tas draagt. Sem vindt het niet leuk om te zien, maar zegt niets. Niet tegen de mentor, niet tegen zijn ouders, ook niet tegen Tobias zelf. De reden die hij zichzelf geeft: “Als ik dit ga zeggen, ben ik een klikspaan, en dan ligt straks iedereen ook over mij te roddelen.” Pas wanneer Tobias een keer thuis in tranen uitbarst en zijn ouders naar school bellen, komt de situatie aan het licht. Sem hoort dan pas dat drie andere klasgenoten het ook hebben gezien, en dat niemand iets heeft gezegd, om precies dezelfde reden als hij.

Deze les gaat over dat woord: klikken. Veel leerlingen zwijgen niet omdat ze het niet erg vinden wat ze zien, maar omdat ze bang zijn voor het stempel klikspaan. Deze les maakt het verschil tussen klikken en melden concreet, zodat leerlingen een taal en een aantal vaste criteria hebben om voor zichzelf te bepalen: is dit iets om te melden?

Wat leren leerlingen?

  • Leerlingen kunnen het verschil uitleggen tussen klikken en melden aan de hand van drie concrete criteria: doel, effect en wie er baat bij heeft.
  • Leerlingen benoemen minstens twee drempels die hen weerhouden om iets te melden, en bedenken hier zelf een manier voor om die drempel te verlagen.
  • Leerlingen weten bij wie zij in en buiten de klas terechtkunnen als ze iets willen melden, en op welke manier dat het minst ongemakkelijk aanvoelt.
  • Leerlingen ervaren via een dilemmaspel dat de meeste klasgenoten in twijfelsituaties hetzelfde denken als zijzelf, wat de drempel om te melden verlaagt.

Waarom deze les

Leerlingen willen dat leerkrachten pesten zelf opmerken, in plaats van te wachten tot iemand het meldt. Tegelijk laat onderzoek zien dat leerkrachten pestgedrag vaak niet zien en niet goed weten hoe ze erachter moeten komen, terwijl ongeveer een derde van de leerlingen er zelf niets over zegt. Die twee gegevens bijten elkaar: als leerlingen zwijgen omdat ze bang zijn om als klikspaan te worden gezien, kan een leerkracht bijna niet ingrijpen, hoe alert die ook is. Melden moet daarom laagdrempelig worden gemaakt en losgekoppeld van het negatieve beeld van klikken. Deze les werkt daaraan door leerlingen een helder, eerlijk onderscheid te geven dat zij zelf kunnen toepassen.

Doelgroep en moment van inzetten

Doelgroep: Onderbouw voortgezet onderwijs, leerjaar 1 en 2, alle niveaus.

Wanneer inzetten: Als derde les in de Week tegen Pesten, aansluitend op de les over het herkennen van signalen. Ook inzetbaar los, bijvoorbeeld nadat leerlingen hebben aangegeven het lastig te vinden om iets te melden, of na een incident waarbij bleek dat meerdere leerlingen iets hadden gezien maar gezwegen.

Praktische informatie

Duur: 50 minuten (één lesuur)

Uitvoerder: Mentor of docent die de klas begeleidt

Benodigde materialen: Voldoende ruimte in het lokaal of gang om een hoekenspel te doen (kant A, kant B en een middenzone voor twijfel); de tien dilemma’s uit deze les, voor te lezen; bord voor de klikken-versus-melden-tabel

Werkvormen: Korte instructie, hoekenspel met dilemma’s, klassikale bespreking, korte casus

Wetenschappelijke onderbouwing

Deze les bouwt voort op het Teachers4Victims-onderzoek van de KU Leuven, waaruit blijkt dat leerlingen willen dat leerkrachten pesten zelf opmerken, terwijl leerkrachten vaak niet zien dat er pesten plaatsvindt en een derde van de leerlingen er zelf niets over zegt. Het onderzoek is uitgevoerd onder leerlingen in het basisonderwijs; het patroon dat leerlingen zwijgen uit angst om als klikspaan gezien te worden, is breed herkenbaar en beschreven in de vakliteratuur over pesten in het voortgezet onderwijs, waar groepsdruk en het beeld dat je hebt bij klasgenoten een grote rol speelt.

Voor het onderscheid tussen klikken en melden sluit deze les aan bij de toelichting op www.stoppestennu.nl, via de pagina “Ik wil pesten melden, maar niet snitchen, hoe doe ik dat”.

Lesopbouw

Tijd

Onderdeel

Werkvorm

0-5 min

Opening: het verhaal van Sem en Tobias

Klassikaal, voorlezen

5-12 min

Uitleg: klikken versus melden

Instructie met bordschema

12-35 min

Hoekenspel met tien dilemma’s

Klassikaal, bewegen door het lokaal

35-42 min

Korte casus en bespreking

Klassikaal

42-47 min

Wie kun je aanspreken? Afspraken maken

Klassikaal

47-50 min

Reflectie en afsluiting

Individueel + klassikaal

 

Opening: sprekerstekst

Lees voor: “Ik vertel jullie over Sem. Sem ziet twee weken lang dat een klasgenoot steeds wordt nagedaan door twee andere jongens: zijn manier van lopen, zijn stem, hoe hij zijn tas draagt. Sem vindt het niet leuk om te zien, maar zegt niets, tegen niemand. De reden: ‘Als ik dit zeg, ben ik een klikspaan, en dan gaat iedereen ook over mij roddelen.’ Pas als de klasgenoot thuis in tranen uitbarst en zijn ouders naar school bellen, komt het aan het licht. Dan blijkt dat drie andere klasgenoten het ook hadden gezien, en om precies dezelfde reden hadden gezwegen. Vandaag gaan we uitzoeken: wat is het verschil tussen klikken en iets melden dat echt belangrijk is? En wat kun jij doen als je zelf iets ziet?”

Uitleg: klikken versus melden

Leg klassikaal het volgende schema uit en teken het op het bord.

 

Klikken

Melden

Doel

Iemand in de problemen brengen, vaak om jezelf voordeel te geven

Iemand beschermen die zichzelf op dat moment niet kan beschermen

Waar gaat het over

Kleine, onschuldige dingen: iemand kauwgom kauwt, iemand te laat is

Gedrag dat een ander pijn doet, bang maakt of buitensluit, herhaald over tijd

Effect als je niets zegt

Niets ergs, het voorval was toch niet belangrijk

Het gedrag gaat door en kan erger worden

Hoe voelt het voor de ander

De ander wordt onnodig in de problemen gebracht

De ander wordt geholpen of beschermd

 

Vat samen: “Het verschil zit niet in het feit dat je iets tegen een volwassene zegt, maar in waarom je het zegt en wat het effect is. Klikken is gericht op een ander in de problemen brengen om iets kleins. Melden is gericht op het beschermen van iemand tegen iets dat echt schade doet. Dat onderscheid is niet altijd meteen duidelijk, en dat is precies waarom we nu een aantal lastige situaties gaan doorlopen.”

Werkvorm: hoekenspel met tien dilemma’s

Wijs één kant van het lokaal aan als “A”, de andere kant als “B”, en het midden als “ik twijfel”. Lees om beurten een dilemma voor; leerlingen lopen zonder te overleggen naar de kant die bij hun keuze past. Vraag na elk dilemma twee of drie leerlingen uit verschillende hoeken om in één zin toe te lichten waarom ze daar staan, voordat je de korte toelichting geeft die bij dat dilemma hoort. Neem niet alle tien dilemma’s even uitgebreid door; kies er op basis van de tijd zes tot acht uit, en behandel in ieder geval dilemma 1, 4, 7 en 9 uitgebreider, omdat deze het onderscheid tussen klikken en melden het scherpst maken.

Dilemma 1: je ziet dat een klasgenoot elke ochtend als laatste bij de kluisjes staat omdat niemand ruimte voor hem maakt. A: je zegt dit tegen je mentor. B: je wacht af of het vanzelf overgaat. Toelichting: dit is een voorbeeld van melden, niet klikken, want het gaat om herhaald buitensluitgedrag van een groep, niet om een klein incident van één klasgenoot.

Dilemma 2: je beste vriendin stuurt een gemene meme over een klasgenoot in de klassenapp. A: je zegt tegen haar dat je dit niet oké vindt. B: je stuurt niets, want je wilt haar niet tegen je in het harnas jagen. Toelichting: hier is nog geen melding bij een volwassene nodig; eerst zelf iets zeggen tegen degene die het doet, is vaak de laagdrempeligste eerste stap.

Dilemma 3: je ziet dat iemand in de gymkleedkamer wordt nagedaan en uitgelachen om zijn lichaam. A: je meldt dit direct bij de gymdocent. B: je wacht tot na de les om het onder vier ogen te vertellen. Toelichting: beide opties kunnen goed zijn; belangrijk is dát het gemeld wordt, niet per se het moment.

Dilemma 4: een klasgenoot vraagt je om niets te zeggen over wat je hebt gezien, omdat hij bang is dat het erger wordt als je het meldt. A: je respecteert zijn wens en zegt niets. B: je meldt het toch, eventueel samen met hem. Toelichting: de wens van het slachtoffer weegt zwaar, maar is niet het laatste woord; je kunt vragen of je samen met hem naar de mentor gaat, zodat hij zich gesteund voelt in plaats van gepasseerd.

Dilemma 5: je weet niet zeker of wat je ziet echt pesten is, of gewoon een grapje tussen vrienden. A: je zegt er toch iets van tegen de mentor, ook al twijfel je. B: je zegt niets, want je wilt niet overdrijven. Toelichting: twijfel is geen reden om te zwijgen; een mentor kan helpen inschatten of iets pesten is, dat hoef jij niet alleen te bepalen.

Dilemma 6: je ziet online dat een klasgenoot een gemeen bericht krijgt in een groepsapp waar jij niet in zit, maar iemand stuurt je een screenshot. A: je stuurt de screenshot door naar de mentor. B: je doet niets, want het gebeurde niet in jouw groep. Toelichting: online pesten valt onder dezelfde regel als offline pesten; het maakt niet uit in welke app het gebeurt.

Dilemma 7: je meldt iets bij je mentor, en een klasgenoot komt erachter en noemt je een klikspaan. A: je trekt je terug en meldt de volgende keer niets meer. B: je legt uit waarom je het hebt gedaan en blijft bij je keuze. Toelichting: dit is het moment waarop leerlingen het vaakst afhaken; benadruk dat het woord klikspaan een sociaal wapen is om mensen stil te houden, en dat het niet betekent dat je iets fout hebt gedaan.

Dilemma 8: je ziet dat een klasgenoot al weken structureel wordt buitengesloten, maar je bent zelf ook een beetje bang voor de groep die dit doet. A: je meldt het anoniem, bijvoorbeeld via een briefje of e-mail aan je mentor. B: je zegt niets uit angst zelf doelwit te worden. Toelichting: anoniem melden is een geldige en soms verstandige eerste stap; het belangrijkste is dat het gedrag stopt, niet wie de eer daarvoor krijgt.

Dilemma 9: je merkt dat je zelf soms meelacht als een groepje een klasgenoot belachelijk maakt, ook al vind je het eigenlijk niet leuk. A: je meldt dit gedrag ook als het je eigen gedrag betreft, bijvoorbeeld door het tegen jezelf en je mentor uit te spreken. B: je laat het zo, want jij bent tenslotte niet degene die begonnen is. Toelichting: meelachen is meedoen; het gaat er bij melden niet alleen om anderen aan te spreken, maar ook eerlijk naar je eigen rol te kijken.

 

 

Dilemma 10: je hebt iets gemeld en er lijkt niets mee gedaan te worden. A: je laat het erbij, want melden heeft toch geen zin. B: je vraagt na een week actief na bij je mentor wat ermee is gebeurd. Toelichting: een melding kan soms tijd nodig hebben of gebeurt achter de schermen; navragen is geen overdrijven, maar een teken dat je het serieus meent.

Korte casus en bespreking

Lees de volgende korte casus voor: “Milan ziet drie weken lang dat een klasgenoot, Doha, in de pauze altijd alleen bij het hek staat. Hij twijfelt of hij dit moet melden: misschien staat ze daar toevallig, misschien wil ze gewoon alleen zijn. Uiteindelijk besluit hij het toch te melden bij zijn mentor, met de woorden: ‘Ik weet niet zeker of het pesten is, maar ik zie dit al drie weken en het voelt niet goed.’” Bespreek klassikaal: was dit klikken of melden, en waarom? Antwoordmodel: dit is melden, want het gaat om een herhaald patroon, Milan brengt niemand willens en wetens in de problemen, en hij formuleert zijn twijfel eerlijk in plaats van een beschuldiging te doen. Dit is precies het soort melden dat deze les wil aanmoedigen: niet zeker weten mag, zwijgen omdat je niet zeker weet, is het probleem.

Bij wie kun je terecht? Afspraken maken

Bespreek klassikaal en laat de klas zelf benoemen bij wie zij terecht kunnen als ze iets willen melden: de mentor, een andere docent die ze vertrouwen, de vertrouwenspersoon of zorgcoördinator van de school, of eventueel een ouder die er met school over kan bellen. Spreek als klas af hoe dit laagdrempelig kan, bijvoorbeeld door aan te geven dat een melding ook mag via een kort briefje, een e-mail, of een verzoek om na de les nog even te blijven zonder dat andere leerlingen dit merken. Noteer deze afspraken samen met de klasafspraken uit de openingsles van de Week tegen Pesten.

Reflectieopdracht

Laat elke leerling onderstaande vragen individueel en schriftelijk beantwoorden, met vijf minuten schrijftijd.

  • Bij welk dilemma van vandaag twijfelde jij het meest, en wat maakte dat zo lastig?
  • Wat is voor jou de grootste drempel om iets te melden: angst voor het woord klikspaan, niet zeker weten of het pesten is, of iets anders?
  • Bij wie zou jij het makkelijkst iets melden, en wat zou je nodig hebben om dat ook echt te doen?

Evaluatie

Sluit af met de vraag: “Als je nu, na deze les, het verhaal van Sem en Tobias opnieuw zou horen, wat zou jij anders doen dan de meeste klasgenoten in dat verhaal deden?” Laat twee of drie leerlingen kort reageren en benoem als docent expliciet dat het doel niet is om iedereen meteen alles te laten melden, maar om de drempel te verlagen voor het moment dat het echt nodig is.

 

 

Differentiatie

Voor leerjaar 1 werkt het goed om het hoekenspel te beperken tot zes dilemma’s en meer tijd te nemen voor de toelichting per dilemma. Voor leerjaar 2 kunnen ook de lastigere dilemma’s 7, 9 en 10 volledig worden behandeld, met meer ruimte voor discussie over groepsdruk. Voor leerlingen die het spannend vinden om zichtbaar een kant te kiezen in het hoekenspel, kan als alternatief gewerkt worden met een simpel duimensysteem, duim omhoog voor A, omlaag voor B, opzij voor twijfel, zodat iedereen tegelijk en minder opvallend kan reageren.

Checklist voorbereiding

  • Er is voldoende ruimte in het lokaal of de gang om een hoekenspel te doen.
  • De tien dilemma’s zijn doorgelezen en er is een keuze gemaakt welke zes tot acht worden behandeld.
  • Het klikken-versus-melden-schema staat klaar om op het bord te tekenen.
  • De docent heeft voor zichzelf paraat bij wie leerlingen op deze school terechtkunnen om iets te melden.

Bronnen

Onderwijssoort: 
VO / Voortgezet onderwijs