1. Signalen & spanningsmeter – wat gebeurt er in de groep?
Doel: Studenten en leerlingen leren alert te zijn op groepssfeer en gedrag.
Gebruik: Individueel of klassikaal als stemactiviteit / check-in.
Stellingen – hoe herken je dat het niet goed zit?
Stelling | Eens | Oneens | Twijfel |
|---|---|---|---|
Er wordt vaak gelachen om één specifieke persoon. | ☐ | ☐ | ☐ |
Sommige mensen kunnen hier minder zeggen dan anderen. | ☐ | ☐ | ☐ |
Als iemand iets zegt over pesten, wordt hij uitgelachen. | ☐ | ☐ | ☐ |
Ik zou het zeggen als iemand elke dag wordt buitengesloten. | ☐ | ☐ | ☐ |
We hebben het weleens over hoe we met elkaar omgaan. | ☐ | ☐ | ☐ |
Bespreek met de groep: Welke zin zouden we willen verbeteren? Wat hebben we daarvoor nodig?
2. Spiegelvragen – wie ben jij in het groepsproces?
Doel: Zelfreflectie op gedrag zonder directe beschuldiging.
Gebruik: Klassikaal of individueel + nabespreking.
Vragen:
- Heb je weleens niets gezegd toen je wist dat het niet oké was?
- Waarom is dat begrijpelijk — en toch niet helpend?
- Wat zegt het eigenlijk over de ‘leider’ van een groep als hij anderen pijn moet doen om boven te staan?
- Wie bepaalt wie stil blijft — en wie mag spreken?
Docententip:
Gebruik een zachte toon, maar stel eerlijke vragen. Spreek niet van goed of fout, maar van effect en verantwoordelijkheid.
3. Praktijksituaties als startpunt voor groepsafspraken
Doel: Concrete gedragsafspraken maken vanuit realistische, herkenbare situaties.
Gebruik: Klassikaal, per situatie 1 gespreksronde + afsprakenlijst maken.
Situatie 1 – Buitensluiten bij pauze / schoolplein / kantine
“Een klasgenoot wordt genegeerd als hij zich bij een groepje voegt. De rest doet alsof hij er niet is.”
Gespreksvragen:
- Wat gebeurt hier écht?
- Wat maakt dit pijnlijker dan gewoon ‘geen klik hebben’?
- Wat kun je als buitenstaander doen zonder meteen het conflict aan te gaan?
- Wat willen we afspreken voor deze situatie?
Voorbeelden van afspraken:
- Als iemand wordt genegeerd, betrekken we die persoon actief.
- We spreken elkaar aan op “doen alsof iemand niet bestaat”.
- De mentor of docent neemt dit serieus en bespreekt het terug in de groep.
Situatie 2 – Online pesten (memes, DM’s, groepsapps)
“Iemand wordt in een groepsapp nagespeeld of afgebeeld in memes. Niemand zegt iets.”
Gespreksvragen:
- Waarom voelt het minder ‘erg’ als iets online gebeurt?
- Wat doet het met iemand als hij de hele dag online geplaagd wordt?
- Waarom is het niet klikken als je dit meldt?
- Wat willen we als klas/groep hierover afspreken?
Voorbeelden van afspraken:
- Online gedrag telt net zo goed als wat je in de klas zegt.
- Als iemand meldt dat iets pijn doet, wordt het serieus genomen.
- Wie buiten de groep wordt gepakt, wordt binnen de groep beschermd.
Situatie 3 – Buiten school: sportclub, supermarkt, bushalte
“Een leerling wordt telkens belachelijk gemaakt buiten school. In de klas is iedereen ‘gewoon’.”
Gespreksvragen:
- Wat zegt het over een klas als het pesten alleen buiten gebeurt?
- Waarom is het belangrijk om ook daar verantwoordelijkheid te nemen?
- Wat hebben we nodig van elkaar, van school, van ouders?
Voorbeelden van afspraken:
- Onze afspraken gelden overal waar we elkaar tegenkomen.
- We laten pesten niet ‘gewoon gebeuren’ omdat het buiten is.
- Als iemand daar iets van zegt, krijgt hij steun – niet spot.
4. Klassafsprakenposter: “Zo gaan wij met elkaar om”
Opbouw voor samen vaststellen in de klas. Gebruik flap-over, whiteboard of digitaal.
- Wat hebben wij besproken?
- Waar willen wij voor staan?
- Wat mag hier nooit normaal worden?
- Wat spreken we af als we tóch iets zien of voelen?
Voorbeeldafspraken (leerlingen geformuleerd):
- Niemand wordt genegeerd in deze klas — niet online, niet buiten.
- Als je niks zegt, dan doe je mee — dus we oefenen in wél iets zeggen.
- Je hoeft geen held te zijn. Eén zin is genoeg: “Laat het even.”
- Pesten zegt meer over de pester dan over het slachtoffer.
- We zorgen dat ‘iets melden’ veilig en vertrouwelijk kan.

