Herkenbaar uit de praktijk
In de kantine wordt Julian al een paar weken achter elkaar nagemaakt door twee klasgenoten zodra hij zijn lunch pakt: ze doen overdreven na hoe hij zijn boterham vasthoudt en lachen erbij. Vijf andere leerlingen zitten aan dezelfde tafel. Niemand van hen doet mee met het nadoen, maar niemand zegt ook iets. Achteraf, in een gesprek met de mentor, zegt een van die vijf: “Ik vond het niet oké, maar ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik was bang dat het dan op mij zou overslaan.” Dat is precies het probleem dat deze les aanpakt: leerlingen weten vaak wél dat iets niet oké is, maar hebben geen woorden of geen geoefend gevoel voor hoe ze dat op een veilige manier kunnen laten blijken.
Wat leren leerlingen?
- Leerlingen oefenen in een veilige rollenspelsituatie met minstens twee manieren om in te grijpen: direct aanspreken en indirect hulp inschakelen.
- Leerlingen kennen minstens vijf concrete interventiezinnen die ze in een echte situatie kunnen gebruiken.
- Leerlingen ervaren dat ingrijpen niet hetzelfde is als de confrontatie zoeken, en dat het ook in kleine, rustige stappen kan.
- Leerlingen begrijpen dat consistent ingrijpen, door zowel leerkrachten als klasgenoten, de belangrijkste factor is om pesten te laten stoppen.
Waarom deze les
Leerlingen willen vooral dat leerkrachten actief ingrijpen en niet afwachten: meer dan driekwart van de leerlingen geeft aan dat leerkrachten volgens hen (heel) veel kunnen doen om pesten te verminderen, terwijl minder dan de helft aangeeft dat hun leerkracht (bijna) altijd goed reageert en 36 procent zegt dat de leerkracht (bijna) nooit goed reageert. Leerlingen verwachten dus consistent en zichtbaar ingrijpen, geen incidentele reactie. Diezelfde consistentie geldt voor leerlingen onderling: pesten is een groepsproces, en de reactie van omstanders is minstens zo bepalend als de reactie van een leerkracht. Deze les oefent daarom niet alleen wát je kunt zeggen, maar ook hóe: rustig, kort en zonder zelf een nieuw conflict te starten.
Doelgroep en moment van inzetten
Doelgroep: Onderbouw voortgezet onderwijs, leerjaar 1 en 2, alle niveaus.
Wanneer inzetten: Als vierde les in de Week tegen Pesten, na de lessen over groepsnormen, signalen herkennen en melden. Ook geschikt als losse les wanneer leerlingen aangeven dat ze wel willen ingrijpen maar niet weten hoe.
Praktische informatie
Duur: 50 minuten (één lesuur)
Uitvoerder: Mentor of docent die de klas begeleidt
Benodigde materialen: Voldoende ruimte om in kleine groepjes een rollenspel te spelen; de drie scenario’s en rolkaarten uit deze les, voor te lezen of uit te delen als de docent ze zelf overtypt
Werkvormen: Rollenspel in groepjes van vier, klassikale nabespreking, gezamenlijke opbouw van een interventiezinnenlijst
Wetenschappelijke onderbouwing
Deze les bouwt op het Teachers4Victims-onderzoek van de KU Leuven, waaruit blijkt dat leerlingen consistent en zichtbaar ingrijpen van leerkrachten verwachten, en dat de kwaliteit van die reactie sterk uiteenloopt: minder dan de helft van de leerlingen ervaart dat hun leerkracht (bijna) altijd goed reageert. Het onderzoek is uitgevoerd onder leerlingen in het basisonderwijs; de bevindingen over de invloed van consistent ingrijpen worden in de vakliteratuur ook toegepast op het voortgezet onderwijs. Voor de rol van omstanders sluit deze les aan bij de toelichting op www.stoppestennu.nl, waar wordt beschreven dat ingrijpen door omstanders vaak al binnen enkele seconden effect heeft op het stoppen van pestgedrag.
Lesopbouw
Tijd | Onderdeel | Werkvorm |
|---|---|---|
0-5 min | Opening: het verhaal uit de kantine | Klassikaal, voorlezen |
5-10 min | Uitleg: twee manieren van ingrijpen | Korte instructie |
10-15 min | Groepjes indelen en scenario uitdelen | Organisatie |
15-35 min | Rollenspel in groepjes (drie scenario’s, roulerend) | Groepjes van vier |
35-45 min | Klassikale nabespreking | Klassengesprek |
45-50 min | Interventiezinnenlijst afronden en reflectie | Klassikaal + individueel |
Opening: sprekerstekst
Lees voor: “In de kantine wordt een leerling al een paar weken achter elkaar nagedaan door twee klasgenoten, zodra hij zijn lunch pakt. Vijf andere leerlingen zitten aan dezelfde tafel. Niemand doet mee, maar niemand zegt ook iets. Later zegt een van hen: ‘Ik vond het niet oké, maar ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik was bang dat het dan op mij zou overslaan.’ Vandaag gaan we oefenen met precies dat: wat kun je zeggen, en hoe, zodat je wel iets doet zonder dat je zelf in een nieuw conflict terechtkomt.”
Uitleg: twee manieren van ingrijpen
Leg uit: “Er zijn grofweg twee manieren om in te grijpen als je pesten ziet gebeuren. De eerste is direct: je zegt zelf iets, kort en rustig, tegen degene die pest of tegen de groep. De tweede is indirect: je haalt er hulp bij, bijvoorbeeld door het te melden bij een docent, of door na afloop bij het slachtoffer te gaan zitten en te laten merken dat je het niet oké vond. Beide manieren tellen. Je hoeft niet de held uit te hangen en midden in een groep te gaan staan schreeuwen; vaak werkt een korte, rustige zin beter dan een grote confrontatie.”
Rollenspel: drie scenario’s
Verdeel de klas in groepjes van vier. Elk groepje speelt één scenario, of speelt na elkaar meerdere scenario’s als de tijd het toelaat en er wordt gewisseld van rol. Wijs per groepje de rollen toe of laat leerlingen zelf kiezen. Loop actief rond, grijp niet in tenzij een leerling zich zichtbaar ongemakkelijk voelt, en geef na elk scenario kort mondelinge feedback op wat je zag.
Scenario A: de kantine
Situatieschets: aan een lunchtafel wordt één leerling voortdurend nagedaan door twee klasgenoten. Er zitten nog twee andere leerlingen aan tafel die niets zeggen.
Rol 1, de nadoener: achtergrond: jij vindt het grappig en merkt niet goed dat het pijn doet; je doet het al een paar dagen en het went. Tekstkaart, jouw openingszin: “Kijk nou hoe hij zijn boterham vasthoudt, doe dat nog eens!” Lichaamstaal: overdreven imiteren, lachen, zoeken naar bijval bij de rest van de tafel.
Rol 2, het slachtoffer: achtergrond: je vindt het vervelend maar wilt geen ruzie maken, dus je lacht een beetje mee terwijl je je ongemakkelijk voelt. Tekstkaart, jouw reactie: een korte, geforceerde lach, dan stil je boterham opeten en weinig meer zeggen. Lichaamstaal: naar beneden kijken, kleiner op je stoel gaan zitten.
Rol 3, de omstander die de helper wordt: achtergrond: jij zit er ook bij en besluit vandaag iets te zeggen. Tekstkaart, mogelijke zinnen om te oefenen: “Zullen we het hier even bij laten?”, of “Volgens mij vindt hij dit niet zo leuk als jullie denken”, of eenvoudigweg naar het slachtoffer: “Zin om naast mij te komen zitten?” Lichaamstaal: rustige, niet-agressieve houding, oogcontact met zowel de nadoener als het slachtoffer.
Rol 4, de stille omstander: achtergrond: jij zit erbij, vindt het ongemakkelijk maar zegt niets totdat rol 3 iets zegt. Instructie: reageer pas nadat rol 3 heeft gesproken, bijvoorbeeld door instemmend te knikken of kort te zeggen: “Ja, laat maar.” Dit laat zien hoe één stem de rest van de groep kan meebewegen.
Docentinstructie: laat het scenario twee tot drie minuten spelen, stop daarna en vraag rol 3 hardop te herhalen welke zin het beste voelde. Wissel eventueel van rol zodat meerdere leerlingen de helperrol oefenen.
Scenario B: de groepsapp
Situatieschets: in een groepsapp wordt een klasgenoot al een tijd genegeerd; berichten van haar krijgen nooit een reactie, terwijl andere berichten dat wel krijgen. Vandaag stuurt iemand een gemene opmerking direct aan haar adres in de groep.
Rol 1, degene die de gemene opmerking stuurt: achtergrond: jij vindt het onschuldig, “gewoon een grapje in de app”. Tekstkaart, jouw bericht (hardop voorlezen als tekst): “Waarom doe jij eigenlijk nooit iets leuks mee, saaie kip.” Lichaamstaal: schouderophalend, alsof het niets voorstelt.
Rol 2, het slachtoffer: achtergrond: je bent dit gewend geworden en reageert niet meer op berichten, uit zelfbescherming. Tekstkaart, jouw reactie: geen bericht meer sturen, wel hardop tegen de groep (in het rollenspel) zeggen: “Ik lees het wel, hoor, ik zeg gewoon niks meer.”
Rol 3, de omstander die de helper wordt: achtergrond: jij zit ook in de groepsapp en besluit publiekelijk te reageren in plaats van alleen in een privébericht. Tekstkaart, mogelijke zinnen: “Niet oké, laat haar met rust”, of “Dit vind ik geen leuk grapje”, of, als je liever privé reageert: rechtstreeks naar het slachtoffer sturen: “Hé, ik zag dat bericht, dat sloeg nergens op, gaat het?” Lichaamstaal en toon: kalm en duidelijk, geen uitroeptekens of boze emoji’s die de discussie verder aanwakkeren.
Docentinstructie: laat leerlingen dit scenario spelen als een “nagebootst appgesprek”, waarbij ze om de beurt hardop hun bericht voorlezen alsof ze het typen. Bespreek na afloop het verschil tussen publiekelijk reageren in de groep en privé een bericht sturen: beide zijn legitiem, met andere voor- en nadelen.
Scenario C: de gymles
Situatieschets: bij het kiezen van teams wordt een leerling als een van de laatsten gekozen en de teamcaptain maakt daar een sarcastische opmerking over waar de groep om lacht.
Rol 1, de teamcaptain: achtergrond: jij wilt indruk maken op de groep en gebruikt humor ten koste van een ander zonder er goed bij na te denken. Tekstkaart, jouw zin: “Oké, dan moet jij maar, tenzij iemand hem nog wil ruilen.” Lichaamstaal: grijnzend rondkijken naar de groep voor bijval.
Rol 2, het slachtoffer: achtergrond: je bent dit type opmerkingen gewend bij gym en doet net alsof het je niets doet. Tekstkaart, jouw reactie: een korte, vlakke “oké” en dan snel het veld op lopen om er vanaf te zijn.
Rol 3, de omstander die de helper wordt: achtergrond: jij staat in de groep en besluit iets te zeggen zonder de teamcaptain voor gek te zetten. Tekstkaart, mogelijke zinnen: “Kom op, gewoon een team indelen, geen gedoe”, of tegen het slachtoffer, terwijl je naar het veld loopt: “Kom, wij gaan samen die kant op.” Lichaamstaal: neutraal, gericht op actie ondernemen in plaats van op discussie zoeken.
Docentinstructie: benadruk bij de nabespreking dat rol 3 in dit scenario niet de teamcaptain hoeft te corrigeren om effectief te zijn; simpelweg naast het slachtoffer gaan staan en het gesprek een andere kant op sturen, is ook een vorm van ingrijpen die vaak makkelijker aanvoelt voor leerlingen die de directe confrontatie spannend vinden.
Klassikale nabespreking
Bespreek na de rollenspellen klassikaal de volgende vragen: welke zin voelde het meest natuurlijk om te zeggen, en welke voelde juist ongemakkelijk? Was het makkelijker om direct iets te zeggen, of om indirect te reageren, bijvoorbeeld door bij het slachtoffer te gaan zitten? Wat zou jou in het echt tegenhouden om te doen wat je zojuist hebt geoefend? Gebruik als docent de volgende interventiezinnen om het gesprek te sturen als het stil valt: “Ik zag net dat twee groepjes een heel andere zin kozen voor dezelfde situatie, dat laat zien dat er niet één juiste manier is”, en: “Wat zou er gebeuren als je deze zin volgende week echt zou gebruiken?”
Interventiezinnenlijst
Stel samen met de klas een lijst op van zinnen die leerlingen deze week zouden durven gebruiken, gebaseerd op wat er tijdens de rollenspellen naar voren kwam. Schrijf deze op het bord en laat leerlingen ze overnemen. Voorbeelden om de lijst te starten: “Niet oké, laat maar”, “Zullen we het hier even bij laten”, “Ik vind dit geen leuk grapje”, “Kom, wij gaan ergens anders zitten”, “Ik meld dit even bij de mentor, dit voelt niet goed”.
Reflectieopdracht
Laat elke leerling onderstaande vragen individueel en schriftelijk beantwoorden, met vijf minuten schrijftijd.
- Welke zin uit de interventiezinnenlijst zou jij het snelst durven gebruiken, en waarom die zin?
- Is er een moment in de afgelopen weken geweest waarop je achteraf wilde dat je iets had gezegd? Wat hield je toen tegen?
- Wat kun jij deze week concreet doen als je merkt dat iemand wordt gepest, ook al is het maar een klein gebaar?
Evaluatie
Sluit af met de vraag: “Op een schaal van heel spannend tot helemaal niet spannend, hoe voelde het om vandaag een van deze zinnen hardop te oefenen?” Vraag om een korte, niet-verplichte reactie per leerling, bijvoorbeeld met een simpel handgebaar (laag, midden, hoog). Dit geeft de docent een indicatie welke leerlingen extra ondersteuning kunnen gebruiken bij het daadwerkelijk toepassen van wat ze hebben geoefend.
Differentiatie
Voor leerlingen die het spannend vinden om voor de groep te spelen, kan het rollenspel in tweetallen worden geoefend voordat het in een groepje van vier wordt gedaan, of kan de docent de zinnen eerst klassikaal hardop laten inspreken zonder dat er een scène bij hoort. Voor leerjaar 2 en voor sterkere leerlingen kan een extra scenario worden toegevoegd waarin de leerling zelf de situatie moet inschatten en kiezen tussen direct en indirect ingrijpen, zonder vaste rolkaart. Voor vmbo-basis en -kader werkt het goed om de interventiezinnen kort en heel concreet te houden; voor havo en vwo kan worden doorgevraagd waarom de ene zin effectiever is dan de andere.
Checklist voorbereiding
- De drie scenario’s met rolkaarten zijn doorgelezen en eventueel voorbereid om uit te delen of voor te lezen.
- Er is voldoende ruimte in het lokaal om in groepjes van vier te werken.
- Er is een moment gereserveerd op het bord voor de gezamenlijke interventiezinnenlijst.
- De docent heeft voor zichzelf een plan hoe leerlingen die het spannend vinden, extra begeleid kunnen worden.
Bronnen
- Teachers4Victims-onderzoeksrapport, KU Leuven (2021), gepubliceerd via Stop Pesten Nu: https://www.stoppestennu.nl/2021-ku-leuven-teachers4victims-onderzoeksra...
- De rol van omstanders bij pesten, hoe jij het verschil kunt maken: https://www.stoppestennu.nl/de-rol-van-omstanders-bij-pesten-hoe-jij-het...
- Rol van omstanders, van toeschouwer naar helper: https://www.stoppestennu.nl/rol-van-omstanders-van-toeschouwer-naar-helper
- Week tegen Pesten 2026, Stop Pesten Nu: https://www.stoppestennu.nl/week-tegen-pesten-2026-stop-pesten-nu-0

