Lesidee VO onderbouw Melden is geen klikken

VO onderbouw Melden is geen klikken

Herkenbaar uit de praktijk

Fien wordt al weken buitengesloten door een groepje klasgenoten: uitgesloten van de groepsapp voor het klassenfeest, structureel niet uitgenodigd voor groepswerk, subtiele opmerkingen over haar op sociale media. Ze heeft er met niemand op school over gesproken. Haar mentor weet van niets. Haar beste vriendin Zoë ziet het wel gebeuren, maar twijfelt: is dit iets om te melden, of “bemoei ik me dan met dingen die mij niet aangaan”? Die twijfel, tussen zwijgen en klikken, houdt veel leerlingen tegen om iets te zeggen, ook als ze zien dat het niet goed gaat met een klasgenoot.

Wat leren leerlingen?

Leerlingen kunnen het verschil uitleggen tussen klikken en melden. Zij kunnen beargumenteren waarom melden niet afhankelijk zou moeten zijn van het initiatief van de leerling die gepest wordt, en formuleren voor zichzelf een concrete drempel waarop zij zelf iets zouden zeggen tegen een volwassene op school.

Waarom deze les?

Leerlingen willen dat leerkrachten pesten zelf opmerken in plaats van te wachten tot iemand het meldt. Onderzoek laat zien dat leerkrachten vaak niet zien dat er sprake is van pesten en niet goed weten hoe ze hierachter kunnen komen, terwijl een deel van de leerlingen er zelf niets over zegt (Teachers4Victims, KU Leuven, 2021, onderzoek onder leerlingen van het vierde tot zesde leerjaar lager onderwijs, ongeveer negen tot twaalf jaar oud). Melden moet daarom laagdrempelig worden gemaakt en mag niet alleen afhangen van het initiatief van het slachtoffer. Onderzoek naar de rol van omstanders bij pesten laat daarnaast zien dat het bespreekbaar maken van pesten door derden, niet alleen door het slachtoffer zelf, bijdraagt aan het verminderen ervan. Deze les helpt leerlingen het onderscheid te maken tussen klikken, wat gericht is op een ander in de problemen brengen, en melden, wat gericht is op de veiligheid van een klasgenoot herstellen.

Doelgroep en moment

Deze les is ontwikkeld voor vwo onderbouw, leerjaar 2. De les is geschikt tijdens de Week tegen Pesten en als les binnen mentoraat of burgerschap, bij voorkeur gecombineerd met concrete informatie over bij wie leerlingen in jouw school terechtkunnen.

Praktische informatie

Duur: 40 minuten. Doelgroep: vwo onderbouw, leerjaar 2. Uitvoerder: mentor of docent. Benodigde materialen: geen kopieën nodig; de vijf dilemmakaarten worden voorgelezen of op het bord samengevat. Werkvormen: positioneringsopdracht met dilemmakaarten, klassikale bespreking, individuele reflectie.

Lesopbouw

Tijd

Onderdeel

Werkvorm

0-5 min

Introductie: klikken versus melden

Sprekerstekst docent

5-10 min

Casus lezen

Klassikaal

10-25 min

Vijf dilemmakaarten

Positioneringsopdracht

25-33 min

Bespreking en onderzoek

Klassikale bespreking met antwoordmodel

33-38 min

Reflectie

Individuele reflectieopdracht

38-40 min

Afsluiting: waar kun je terecht

Klassikaal

Introductie voor de docent

“Veel van jullie hebben weleens het gevoel gehad: zeg ik hier iets van, of bemoei ik me met iets dat mij niet aangaat? Er zit een groot verschil tussen klikken en melden, ook al voelt het in het moment soms hetzelfde. Klikken is bedoeld om iemand in de problemen te brengen. Melden is bedoeld om iemand te helpen die het niet meer zelf redt. Vandaag onderzoeken we waar voor jullie de grens ligt, aan de hand van een paar dilemma’s.”

Casus: de groepsapp voor het klassenfeest

Fien wordt al enkele weken buitengesloten door een groepje klasgenoten rond Sanne. Ze is niet toegevoegd aan de groepsapp die is aangemaakt voor het klassenfeest, terwijl bijna de hele klas daar wel in zit. Bij het project biologie wordt in groepjes gewerkt; Sanne regelt steevast dat Fien als laatste wordt ingedeeld, met een verontschuldigend “sorry, was niet expres” dat inmiddels drie keer is gebeurd. Op Instagram plaatst Sanne af en toe een verhaal met een steek onder water die duidelijk over Fien gaat, zonder haar naam te noemen. Zoë, de beste vriendin van Fien, ziet dit alles gebeuren, maar Fien zegt er zelf weinig over: “het went wel, laat maar.” Op school lijkt Fien naar buiten toe rustig en doet ze mee met de lessen. Haar mentor heeft niets bijzonders opgemerkt en er is nooit een melding binnengekomen. Zoë twijfelt of ze iets moet zeggen tegen de mentor: ze is bang dat Fien het vervelend vindt als ze “erover begint zonder het te vragen”, en ze is ook bang zelf buiten de groep te vallen als ze zich ermee bemoeit.

Vijf dilemmakaarten

Lees de kaarten één voor één voor. Laat leerlingen na elke kaart kort positie kiezen: wel melden, niet melden, of twijfel, bijvoorbeeld door een kant van het lokaal te kiezen of een duim te tonen. Vraag steeds een paar leerlingen kort hun keuze toe te lichten voordat de volgende kaart komt.

Kaart 1: Zoë ziet dat Fien niet in de groepsapp voor het klassenfeest zit. Zou jij dit melden bij een mentor, ook als Fien er zelf niets over zegt?

Kaart 2: Je ziet een Instagram-verhaal met een duidelijke steek onder water richting een klasgenoot, zonder naam. Meld je dit, ook als je niet honderd procent zeker weet wie het bedoelt is?

Kaart 3: Een klasgenoot vertelt je in vertrouwen dat ze zich al weken buitengesloten voelt, maar vraagt je nadrukkelijk om het aan niemand door te vertellen. Wat doe je?

Kaart 4: Je ziet dat een klasgenoot voor de derde keer als laatste wordt gekozen bij een groepsindeling, steeds met een verontschuldiging erbij. Is dit voor jou genoeg reden om iets te zeggen?

Kaart 5: Je twijfelt of wat je ziet “erg genoeg” is om te melden. Bij wie zou je terechtkunnen om dit eerst te bespreken, voordat je een officiële melding doet?

Antwoordmodel en uitleg bij de dilemmakaarten

Antwoordmodel: bij kaart 1, 2 en 4 is melden een goede keuze, ook als het slachtoffer er zelf niets over zegt of als je niet honderd procent zeker bent; een mentor kan dan gericht opletten en het gesprek aangaan, zonder dat dit meteen grote gevolgen heeft voor wie het gedrag vertoont. Bij kaart 3 ligt het genuanceerder: het is goed om de wens tot vertrouwelijkheid serieus te nemen, maar bij herhaalde of zorgwekkende signalen mag je altijd bij een volwassene op school aangeven dat er iets speelt, ook zonder namen te noemen, om advies te vragen over wat je het beste kunt doen. Bij kaart 5 is het antwoord: bijna elke school heeft een mentor, vertrouwenspersoon of decaan bij wie je terechtkunt, ook als je twijfelt of iets “erg genoeg” is; die inschatting hoef je niet alleen te maken.

Uitleg: het idee dat je alleen mag melden als je alle feiten zeker weet, of als het slachtoffer daar zelf toestemming voor geeft, houdt veel leerlingen tegen om iets te zeggen. Een melding is geen aanklacht en geen definitief oordeel, het is een signaal aan een volwassene die vervolgens kan uitzoeken wat er echt speelt. Veelgemaakte denkfout: leerlingen denken vaak dat melden hetzelfde is als klikken, en dat je daarmee een klasgenoot “verraadt”. Het verschil zit in het doel: klikken is gericht op een ander in de problemen brengen, vaak voor eigen voordeel; melden is gericht op het herstellen van de veiligheid van een klasgenoot.

Interventiezinnen voor leerlingen

Geef de volgende zinnen mee als hulpmiddel om een melding te openen: “Ik wil even iets vertellen, niet om iemand in de problemen te brengen, maar omdat ik me zorgen maak.” “Ik weet niet zeker of dit iets is, maar ik wilde het toch even zeggen.” “Kun je hier even naar kijken, zonder dat het meteen een groot ding wordt?” Leg uit dat een mentor deze opening kan gebruiken om rustig door te vragen, zonder dat de leerling die meldt zich meteen verantwoordelijk hoeft te voelen voor de uitkomst.

Reflectieopdracht

Laat iedere leerling onderstaande vragen individueel en schriftelijk beantwoorden. Geef hiervoor vijf minuten de tijd.

  1. Wat is voor jou het verschil tussen klikken en melden, in je eigen woorden?
  2. Bij welke kaart twijfelde jij het meest, en waarom?
  3. Wat houdt jou het meest tegen om iets te melden als je iets ziet gebeuren?
  4. Wat zou voor jou moeten veranderen zodat melden makkelijker voelt?

Evaluatie

Sluit af met de vraag: kan iedereen nu in eigen woorden het verschil tussen klikken en melden uitleggen? Vraag daarnaast: weet iedereen bij wie hij of zij op school terechtkan om iets te melden? Noteer welke leerlingen dit nog niet weten en herhaal deze informatie zichtbaar in het lokaal, bijvoorbeeld door de naam en het spreekuur van de vertrouwenspersoon te noemen.

Differentiatie

Voor leerlingen die het lastig vinden om in het openbaar positie te kiezen bij de dilemmakaarten, bied de mogelijkheid om anoniem te stemmen, bijvoorbeeld door een van tevoren afgesproken gebaar te gebruiken zonder op te kijken. Voor leerlingen die meer verdieping aankunnen, laat hen een zesde dilemmakaart bedenken uit hun eigen ervaring en deze door een klasgenoot laten beantwoorden.

Checklist voorbereiding

Lees de casus en het antwoordmodel vooraf door. Zoek voorafgaand aan de les op wie in jouw school de mentor, vertrouwenspersoon of decaan is bij wie leerlingen terechtkunnen, inclusief hoe en waar zij die persoon kunnen bereiken, zodat je dit aan het einde van de les concreet kunt meegeven. Bereid een korte eigen mening voor over kaart 3, aangezien dit de kaart is waarbij leerlingen vaak het meest verdeeld zijn.

Bronnen

Demol, K., ten Bokkel, I.M., van Gils, F.E., Colpin, H., Verschueren, K. (2021). Teachers4Victims. Onderzoeksrapport voor scholen en ouders. KU Leuven: Schoolpsychologie en Ontwikkeling in Context. Onderzoek onder 1051 leerlingen en 61 leerkrachten van het vierde tot zesde leerjaar lager onderwijs in Vlaanderen. https://jeugdonderzoeksplatform.be/project/teachers4victims-onderzoeksra... en https://www.stoppestennu.nl/2021-ku-leuven-teachers4victims-onderzoeksra...

Stop Pesten Nu (z.d.). Pesten aanpakken als groepsproces, met bespreking van onderzoek van Gijs Huitsing (Rijksuniversiteit Groningen). https://www.stoppestennu.nl/pesten-aanpakken-als-groepsproces

Meer informatie en actuele materialen voor de Week tegen Pesten: https://www.stoppestennu.nl/week-tegen-pesten-2026-stop-pesten-nu-0

Onderwijssoort: 
VO / Voortgezet onderwijs