Lesidee VO onderbouw openingsles Week tegen Pesten

VO onderbouw openingsles van de Week tegen Pesten, bij voorkeur op de eerste dag in het mentoruur

Herkenbaar uit de praktijk

In de eerste weken van het schooljaar ontstaat in klas 1B een gewoonte. Wie tijdens een klassikale beurt een fout antwoord geeft, krijgt van een paar leerlingen achter in de klas een kort, gerekt “oeehh”. De leerlingen die het geluid maken, lachen erbij en noemen het “gewoon een geintje”. De rest van de klas kijkt weg, lacht een beetje mee of zegt niets. Binnen een maand durven steeds minder leerlingen nog een vraag te beantwoorden. De mentor ziet dat de klas stiller wordt zodra er vragen worden gesteld, maar schrijft dit aanvankelijk toe aan verlegenheid van een nieuwe brugklas. Pas wanneer een leerling na de les blijft hangen en zegt dat ze “het zo zat” is om voor gek te staan, wordt duidelijk dat er in de klas een ongeschreven regel is ontstaan die niemand hardop heeft afgesproken: fouten maken mag belachelijk gemaakt worden, en wie daar iets van zegt, is een spelbreker.

Deze situatie is precies waarom de eerste les van de Week tegen Pesten niet over een individuele pester of een individueel slachtoffer gaat, maar over de klas als geheel. Niemand in klas 1B heeft besloten dat uitlachen bij fouten normaal is. Het is ontstaan doordat de groep het toestond: door mee te lachen, door weg te kijken, door niets te zeggen. Precies dat mechanisme staat centraal in deze les.

Wat leren leerlingen?

  • Leerlingen kunnen uitleggen dat een groepsnorm ontstaat door wat een klas toestaat, niet alleen door wat één leerling doet.
  • Leerlingen herkennen het verschil tussen wat een klas hardop zegt te vinden en wat de klas in de praktijk laat gebeuren.
  • Leerlingen kunnen minstens drie concrete voorbeelden geven van gedrag dat in hun eigen klas als “normaal” geldt, terwijl het dat voor iedereen prettig maakt noch zou moeten zijn.
  • Leerlingen ervaren dat hun eigen reactie op een situatie, lachen, zwijgen, wegkijken of ingrijpen, meetelt in wat er in de klas normaal wordt.
  • Leerlingen stellen samen minimaal vijf klasafspraken op die als gedeelde norm voor het schooljaar gaan gelden.

Waarom deze les

Deze les opent de Week tegen Pesten en legt het fundament voor alle lessen die volgen. Pesten is geen probleem tussen twee leerlingen, maar een groepsproces waarbij pester, slachtoffer, meelopers, omstanders en helpers samen bepalen wat er in een klas kan gebeuren en wat niet. Die visie is alleen bruikbaar als leerlingen eerst zelf ervaren hoe groepsnormen ontstaan: niet door een enkele beslissing, maar door de optelsom van kleine reacties van iedereen in de klas. Wie deze les als eerste van de week draait, geeft leerlingen een gedeeld begrippenkader (groepsnorm, meeloper, omstander, helper) waarop de rest van de week voortbouwt.

Uit onderzoek blijkt bovendien dat leerlingen zelf een uitgesproken verwachting hebben van wat leerkrachten doen: zij willen zichtbaar en consistent ingrijpen, geen incidentele reactie. Een les die vanaf dag één laat zien dat de mentor de groepscultuur serieus neemt en er samen met de klas aan werkt, sluit direct aan bij die verwachting.

Doelgroep en moment van inzetten

Doelgroep: Onderbouw voortgezet onderwijs, leerjaar 1 en 2, alle niveaus. De casus en stellingen zijn generiek geformuleerd en gaan over klasgedrag dat in vrijwel elke brugklas of tweede klas herkenbaar is.

Wanneer inzetten: Als openingsles van de Week tegen Pesten, bij voorkeur op de eerste dag in het mentoruur. De les is ook geschikt tijdens de gouden weken aan het begin van het schooljaar, bij groepsvorming na een klasindeling, of na een incident waarbij groepsnormen zichtbaar zijn misgegaan.

Praktische informatie

Duur: 50 minuten (één lesuur)

Uitvoerder: Mentor of docent die de klas begeleidt

Benodigde materialen: Bord of digibord; de veertien stellingen uit deze les (hieronder volledig uitgeschreven, voor te lezen of door de docent zelf op kaartjes over te nemen); een vel of digibordvak met drie kolommen: “hoort bij ons”, “hoort niet bij ons” en “twijfel”

Werkvormen: Korte inleiding met casus, sorteeropdracht in groepjes van vier, klassikale bespreking en gezamenlijke normstelling

Wetenschappelijke onderbouwing

Deze les is gebaseerd op het Teachers4Victims-onderzoek van de KU Leuven, waarin is onderzocht hoe leerkrachten pesten op school kunnen helpen voorkomen en verminderen. Meer dan driekwart van de leerlingen in dit onderzoek geeft aan dat leerkrachten volgens hen (heel) veel kunnen doen om pesten te verminderen, terwijl minder dan de helft aangeeft dat hun leerkracht (bijna) altijd goed reageert wanneer er gepest wordt en 36 procent zegt dat de leerkracht (bijna) nooit goed reageert. Leerlingen verwachten dus consistent en zichtbaar ingrijpen, niet een incidentele reactie. Het onderzoek is uitgevoerd onder leerlingen in het basisonderwijs; de bevindingen over groepsdynamiek en de invloed van leerkrachtgedrag worden in de vakliteratuur breed toegepast op het voortgezet onderwijs, omdat dezelfde groepsmechanismen zich in de onderbouw op vergelijkbare wijze voordoen.

Deze les sluit aan bij de kernvisie van Stop Pesten Nu dat pesten een groepsproces is, waarbij niet alleen de pester en het slachtoffer een rol spelen, maar ook meelopers, omstanders en helpers. Meer achtergrond hierover is te vinden op www.stoppestennu.nl, onder meer via de pagina’s “Pesten en groepsdruk” en “Rollen bij pesten”.

Lesopbouw

Tijd

Onderdeel

Werkvorm

0-5 min

Opening: de casus van klas 1B

Klassikaal, docent leest voor

5-10 min

Uitleg: wat is een groepsnorm

Korte instructie

10-28 min

Veertien stellingen sorteren

Groepjes van vier

28-40 min

Klassikale bespreking van de stellingen

Klassengesprek

40-47 min

Vijf klasafspraken formuleren

Klassikaal, docent begeleidt

47-50 min

Reflectie en vooruitblik op de Week tegen Pesten

Individueel + klassikaal

 

Opening: sprekerstekst

Lees onderstaande tekst rustig voor aan de klas, zonder de naam van een echte leerling of een echte klas te noemen: “Ik wil jullie een situatie voorleggen die in veel brugklassen voorkomt. Stel: in een klas ontstaat de gewoonte dat wie een fout antwoord geeft op een vraag, een kort ‘oeehh’ krijgt van een paar klasgenoten. Zij lachen erbij en zeggen dat het een geintje is. De rest van de klas lacht een beetje mee, kijkt weg, of zegt niets. Na een paar weken durven steeds minder leerlingen nog een vraag te beantwoorden, uit angst om voor gek te staan. Niemand in die klas heeft ooit besloten: ‘Vanaf nu maken wij mensen belachelijk die een fout antwoord geven.’ Toch is dat wel wat er gebeurt. Vandaag gaan we uitzoeken hoe zoiets ontstaat, en wat wij daar zelf aan kunnen doen, in onze eigen klas.”

Vraag daarna kort klassikaal: “Herken je dit soort situaties, misschien niet met precies dit voorbeeld, maar met iets anders dat in een klas ‘normaal’ wordt terwijl niemand dat ooit heeft afgesproken?” Twee of drie korte reacties zijn voldoende; ga nog niet in discussie, dat gebeurt later in de les.

Uitleg: wat is een groepsnorm

Leg uit met de volgende doorlopende tekst: “Een groepsnorm is een ongeschreven regel over wat wel en niet normaal is binnen een groep. Groepsnormen ontstaan niet doordat iemand ze officieel invoert, maar doordat de groep ze via gedrag bevestigt. Als iemand iets vervelends doet en de groep lacht, kijkt weg of zegt niets, dan bevestigt de groep daarmee: dit mag. Als iemand iets vervelends doet en een ander zegt er iets van, dan verandert de norm: dit mag hier niet. Bij pesten werkt het precies zo. Pesten is daarom nooit alleen een zaak van de leerling die pest en de leerling die gepest wordt. Iedereen die erbij is, speelt een rol: er zijn meelopers die aanmoedigen of meelachen, er zijn omstanders die het zien maar zwijgen, en er zijn helpers die ingrijpen of het melden. Welke van die rollen de meeste leerlingen in een klas kiezen, bepaalt of pesten blijft bestaan of stopt.”

Schrijf de vier rolnamen kort op het bord: pester, slachtoffer, meeloper, omstander en helper. Geef bij elke rol in één zin aan wat die inhoudt, zodat leerlingen deze woorden tijdens de stellingenopdracht kunnen gebruiken.

Werkvorm: de veertien stellingen

Verdeel de klas in groepjes van vier leerlingen. Elk groepje krijgt (voorgelezen, op het bord getoond, of zelf overgenomen op kaartjes) dezelfde veertien stellingen over gedrag dat in een klas kan voorkomen. Per groepje wordt op een vel met drie kolommen, “hoort bij ons”, “hoort niet bij ons” en “twijfel”, bepaald waar elke stelling volgens de groep thuishoort. Geef de groepjes achttien minuten voor deze opdracht en loop actief rond om gesprekken te beluisteren en waar nodig door te vragen, bijvoorbeeld: “Waarom hoort dit bij twijfel en niet bij hoort niet bij ons?”

De veertien stellingen zijn: (1) Als iemand een fout antwoord geeft, mag de klas daar geluid bij maken. (2) Als iemand een grap over een klasgenoot maakt en de klas lacht, is het gewoon een geintje. (3) Wie tijdens het overblijven vaak alleen zit, kiest daar zelf voor. (4) Als iemand een appgroep zonder uitleg verlaat, is dat zijn of haar eigen keuze. (5) Het is normaal dat sommige leerlingen nooit als eerste gekozen worden bij groepswerk. (6) Als iemand een bijnaam niet leuk vindt, moet diegene dat gewoon zelf zeggen. (7) Wie klikt bij de docent, is een verrader. (8) Het is oké om mee te lachen als een klasgenoot wordt nagedaan, zolang je het zelf niet bent begonnen. (9) Als een groepje elke pauze samen dezelfde persoon negeert, is dat hun goed recht. (10) Reageren op elkaars berichten is verplicht; wie dat niet doet, vraagt om gedoe. (11) Een klasgenoot voor gek zetten voor de klas mag, als het maar “grappig” gebracht wordt. (12) Als een leerkracht iets zegt over hoe wij met elkaar omgaan, is dat overdreven. (13) Wie voor een gepeste klasgenoot opkomt, wordt zelf ook een doelwit, dus beter is het om niets te doen. (14) Wat er in de klassenapp gebeurt, is niet de zaak van school.

Deze stellingen zijn met opzet zo geformuleerd dat geen van alle overduidelijk “fout” klinkt; ze verwoorden redeneringen die leerlingen in de praktijk vaak gebruiken om gedrag goed te praten. Het doel van de opdracht is niet om tot één juist antwoord te komen, maar om leerlingen hardop te laten beargumenteren waarom iets volgens hen wel of niet normaal zou moeten zijn.

Observatiepunten tijdens het sorteren

Let tijdens het rondlopen op de volgende signalen, die bruikbaar zijn voor de klassikale bespreking en voor je eigen beeld van de groepsdynamiek: welke stellingen leiden tot snelle overeenstemming in een groepje en welke tot discussie; of er leerlingen zijn die een afwijkende mening niet uitspreken zodra de rest van het groepje al een keuze heeft gemaakt; welke leerlingen de discussie inhoudelijk sturen en welke zich stilhouden; en of er stellingen zijn die opvallend dicht bij een situatie liggen die je al kent uit deze specifieke klas. Dat laatste bespreek je nooit met naam en toenaam in de klas, maar kan later een aanknopingspunt zijn voor een individueel gesprek.

Van sorteren naar klassikale bespreking

Bespreek klassikaal drie tot vijf stellingen waarover de groepjes het meest verdeeld waren. Vraag per stelling aan een groepje dat de stelling bij “hoort bij ons” plaatste om dit toe te lichten, en aan een groepje dat “hoort niet bij ons” koos om te reageren. Gebruik hierbij de volgende interventiezinnen als de discussie vastloopt of te snel wordt afgekapt: “Ik hoor twee verschillende meningen, en dat is precies waar deze les over gaat: er bestaat dus geen vanzelfsprekende norm, wij maken die norm samen.” En: “Stel dat jij degene bent over wie deze stelling gaat, verandert dat iets aan je antwoord?” En: “Wat zou er gebeuren als niemand in de klas hier iets van zegt?”

Sluit dit onderdeel af met de kernboodschap van de les, hardop uitgesproken: “Een klas wordt niet aardig of onaardig door één beslissing van één leerling. Een klas wordt aardig of onaardig door wat de meeste leerlingen elke dag laten gebeuren. Dat betekent dat ieder van jullie invloed heeft, ook als je zelf nooit iemand pest.”

Vijf klasafspraken formuleren

Vraag de klas om, voortbouwend op de besproken stellingen, gezamenlijk vijf afspraken te formuleren die gaan gelden als klasnorm voor het schooljaar. Laat leerlingen om de beurt een voorstel doen; de docent schrijft dit mee op het bord en vraagt telkens: “Zijn jullie het hiermee eens, of wil iemand dit anders formuleren?” Stuur waar nodig richting concrete, controleerbare afspraken in plaats van vage goede voornemens. Een afspraak als “we zijn aardig voor elkaar” is te vaag; een afspraak als “als iemand een fout antwoord geeft, applaudisseren we niet en maken we geen geluid” is concreet en toetsbaar.

Schrijf de definitieve vijf afspraken leesbaar op een vel dat een vaste plek in het lokaal krijgt, of laat de klas ze zelf overschrijven voor in de agenda of op een gezamenlijk digitaal document. Kom er in de laatste les van de Week tegen Pesten expliciet op terug.

Reflectieopdracht

Laat elke leerling onderstaande vragen individueel en schriftelijk beantwoorden. Geef hiervoor vijf minuten schrijftijd, zonder dat leerlingen dit hoeven in te leveren of hardop te delen.

  • Welke van de veertien stellingen verraste jou het meest, en waarom?
  • Welke ongeschreven regel zou jij dit jaar willen veranderen in onze klas?
  • Wat ga jij deze week zelf anders doen op het moment dat je merkt dat de klasnorm niet klopt met wat jij eigenlijk vindt?
  • Wat verwacht jij van je mentor als het een keer misgaat in de klas?

Evaluatie

Sluit de les af met een korte klassikale evaluatie aan de hand van de volgende vragen: Welke afspraak van de vijf lijkt jullie het lastigst om vol te houden, en waarom? Wat kan de klas doen om elkaar aan deze afspraken te herinneren zonder dat het als zeuren voelt? Noteer als docent de antwoorden kort, zodat je hierop kunt terugkomen in de afsluitende les van de Week tegen Pesten.

Differentiatie

Voor leerjaar 1, vroeg in het schooljaar, is het zinvol om iets meer tijd te nemen voor de uitleg van de vier rollen, omdat leerlingen elkaar en de klasdynamiek nog niet goed kennen; laat de stellingenopdracht in dat geval in groepjes van drie in plaats van vier, samengesteld door de docent, zodat leerlingen niet automatisch bij hun beste vriend(in) gaan zitten. Voor leerjaar 2 kan de klassikale bespreking dieper ingaan op de vraag waarom sommige stellingen lastiger te beoordelen zijn dan andere. Voor vmbo-basis en -kader werkt het goed om de stellingen in kleinere stapjes te bespreken en meer voorbeelden uit de eigen praktijk van de klas te laten aandragen; voor havo en vwo kan worden doorgevraagd op de onderliggende redenering achter elke stelling, bijvoorbeeld door leerlingen te laten uitleggen welke aanname iemand maakt die stelling 3 of stelling 9 onderschrijft.

Checklist voorbereiding

  • De veertien stellingen zijn beschikbaar voor de klas: voorgelezen, op het digibord getoond of zelf op kaartjes overgenomen.
  • Er is een vel of digibordvak met drie kolommen (“hoort bij ons”, “hoort niet bij ons”, “twijfel”) klaar of getekend.
  • De klas is verdeeld in groepjes van drie of vier, passend bij het leerjaar.
  • Er is een vel of digitaal document klaar om de vijf klasafspraken op te schrijven en zichtbaar op te hangen.
  • De docent heeft de vier of vijf rolnamen (pester, slachtoffer, meeloper, omstander, helper) paraat om tijdens de les toe te lichten.

Bronnen

Onderwijssoort: 
VO / Voortgezet onderwijs