Wat kunnen leerkrachten en docenten doen om subtiel pesten te herkennen? | Stop Pesten NU

Wat kunnen leerkrachten en docenten doen om subtiel pesten te herkennen?

Observeer bij binnenkomst

Kijk niet alleen tijdens de les. Juist bij binnenkomst is veel zichtbaar.

Let op:

  • wie naast wie gaat zitten;
  • voor wie geen plaats wordt vrijgehouden;
  • wie wordt begroet;
  • wie wordt genegeerd;
  • wie naar wie kijkt;
  • wie spanning veroorzaakt;
  • wie zich aanpast zodra iemand binnenkomt;
  • wie steeds alleen binnenkomt;
  • welke leerling eerst de groep scant voordat die gaat zitten.

Wanneer een melding is gedaan, is het extra belangrijk om gedurende meerdere dagen bewust te observeren hoe leerlingen binnenkomen en op elkaar reageren.

Observeer overgangen

Subtiel pesten vindt vaak plaats tijdens momenten waarop toezicht minder direct is:

  • voor en na de les;
  • bij lokaalwisselingen;
  • tijdens het vormen van groepjes;
  • bij het uitdelen van materialen;
  • in pauzes;
  • tijdens gym;
  • bij excursies;
  • bij aankomst en vertrek;
  • tijdens online samenwerking;
  • rondom presentaties en beoordelingen.

Kijk naar patronen

  • Noteer concreet wat je ziet en hoort. Vermijd algemene omschrijvingen als “de sfeer is niet goed”.

Schrijf bijvoorbeeld:

  • “Bij het vormen van groepjes liepen drie leerlingen direct naar elkaar toe. Toen leerling A aansloot, zeiden zij dat hun groep al vol was. Een minuut later werd leerling B wel toegelaten.”

Of:

  • “Tijdens het antwoord van leerling A keken vier leerlingen naar leerling C. Leerling C trok de wenkbrauwen op, waarna de anderen lachten. Dit gebeurde tijdens dezelfde les drie keer.”

Concrete observaties helpen om patronen te herkennen en informatie tussen collega’s te delen.

Vergelijk verschillende situaties

Vraag collega’s wat zij zien tijdens andere lessen. Een leerling kan zich in het ene vak veilig voelen en in een ander vak niet. Vergelijk:

  • verschillende lessen;
  • pauzes;
  • praktijkuren;
  • gym;
  • mentormomenten;
  • projecten;
  • online communicatie;
  • stage;
  • buitenschoolse activiteiten.

Kijk achter zichtbaar gedrag

Een leerling die boos reageert, wegloopt, weigert samen te werken of een andere leerling uitscheldt, hoeft niet degene te zijn bij wie het probleem begon. De zichtbare reactie kan het gevolg zijn van langdurige subtiele provocaties.

Vraag daarom:

  • Wat gebeurde er vlak daarvoor?
  • Is dit vaker gebeurd?
  • Welke reacties gingen eraan vooraf?
  • Wie waren erbij?
  • Hoe reageerde de groep?
  • Wat gebeurde online voordat de les begon?

Hoe reageer je direct op subtiel pestgedrag?

Je hoeft niet altijd eerst te bewijzen dat sprake is van pesten om een duidelijke grens te stellen aan onveilig gedrag. Je kunt bijvoorbeeld zeggen:

  • “Ik zie dat er wordt gekeken en gelachen wanneer iemand iets zegt. Dat gedrag stoppen we.”
  • “Ik merk dat er geen plaats wordt vrijgemaakt. In deze klas zorgen we dat iedereen kan deelnemen.”
  • “Ik hoor dat deze bijnaam opnieuw wordt gebruikt. Als iemand aangeeft dat een bijnaam niet prettig is, gebruiken we die niet.”
  • “Ik zie dat één leerling steeds wordt onderbroken. Die leerling maakt nu eerst de zin af.”
  • “Ik merk dat belangrijke informatie niet bij iedereen terechtkomt. Vanaf nu delen we alle projectinformatie via één gezamenlijk kanaal.”
  • “Ik zie dat steeds dezelfde persoon de minst aantrekkelijke taak krijgt. We gaan de taken opnieuw en controleerbaar verdelen.”
  • “Ik hoor dat het een grapje wordt genoemd. Het effect is dat iemand wordt buitengesloten. Daarom stoppen we ermee.”
  • Benoem wat je waarneemt zonder de leerling die mogelijk wordt gepest of de leerling die een melding heeft gedaan herkenbaar te maken.

Wat moet je niet doen bij subtiel pesten?

Veelgemaakte fouten zijn:

  • zeggen dat de leerling het moet negeren;
  • adviseren harder voor zichzelf op te komen;
  • vragen waarom de leerling niet gewoon bij anderen gaat zitten;
  • uitsluitend kijken naar één incident;
  • de betrokkenen direct tegenover elkaar zetten;
  • degene die wordt gepest in de klas laten vertellen wat er gebeurt;
  • zonder voorbereiding een algemeen klassengesprek voeren;
  • na één rustig moment aannemen dat het probleem is opgelost;
  • alleen degene die pest aanspreken en de groepsreacties negeren;
  • gedrag afdoen als meidenvenijn, jongensgedrag, pubergedrag of groepsvorming;
  • zeggen dat niet iedereen bevriend hoeft te zijn;
  • verwachten dat studenten het vanwege hun leeftijd zelf oplossen;
  • alleen controleren of openlijk pestgedrag is gestopt;
  • de reactie van de gepeste persoon als hoofdprobleem behandelen.

Pesten is geen gelijkwaardig conflict. Een bemiddelingsgesprek waarin beide partijen evenveel verantwoordelijkheid krijgen, kan het machtsverschil versterken.

Hoe pak je subtiel pesten aan?

1. Zorg voor directe veiligheid

Stop het concrete gedrag en onderzoek wat nodig is om de leerling of student veilig te laten deelnemen.

2. Verzamel concrete informatie

Noteer:

  • wat er gebeurt;
  • hoe vaak het gebeurt;
  • waar het gebeurt;
  • wie aanwezig zijn;
  • wie initiatief neemt;
  • wie ondersteunt;
  • wie lacht;
  • wie zwijgt;
  • wie steun biedt;
  • wat online gebeurt;
  • welke gevolgen zichtbaar zijn.

3. Spreek betrokkenen afzonderlijk

Voorkom dat de leerling die wordt gepest het verhaal tegenover de hele groep moet verdedigen. Gesprekken met betrokkenen worden afzonderlijk en zorgvuldig gevoerd.

4. Onderzoek het groepsproces

Kijk niet alleen naar individuele gedragingen, maar ook naar:

  • sociale posities;
  • informele leiders;
  • subgroepen;
  • groepsnormen;
  • onderlinge afhankelijkheid;
  • status en populariteit;
  • online invloed;
  • momenten met weinig toezicht;
  • leerlingen die veilig positieve invloed kunnen uitoefenen.

Bullying kan samenhangen met sociale beloningen zoals zichtbaarheid en populariteit binnen de groep. Daardoor is het belangrijk te onderzoeken welke reacties het gedrag status of steun geven. (⁠RUG Research Portal)

5. Maak concrete afspraken

Een afspraak als “we moeten aardiger zijn” is te algemeen.

Maak afspraken over zichtbaar gedrag, bijvoorbeeld:

  • iedereen ontvangt dezelfde informatie;
  • niemand wordt publiekelijk kleinerend gecorrigeerd;
  • bijnamen worden alleen gebruikt wanneer iemand die zelf prettig vindt;
  • groepsindelingen worden niet steeds door dezelfde leerlingen bepaald;
  • groepswerk wordt individueel gevolgd;
  • meldingen worden niet in de groep bekendgemaakt;
  • docenten delen observaties;
  • toezicht wordt tijdelijk versterkt;
  • online en offline signalen worden gezamenlijk onderzocht.

6. Verander de groepsnorm

Laat zien dat buitensluiten, meelachen, zwijgen en doorsturen invloed hebben. Maak kleine veilige acties concreet:

  • niet meelachen;
  • naast iemand gaan zitten;
  • informatie doorgeven;
  • iemand toevoegen aan het gesprek;
  • hulp halen;
  • na afloop steun geven;
  • niet meedoen aan een aparte roddelgroep;
  • een bericht niet doorsturen;
  • een ander onderwerp beginnen;
  • tegen een volwassene vertellen wat er gebeurt.

7. Blijf volgen

Vraag niet alleen of het pesten is gestopt. Controleer concreet:

  • Kan de leerling veilig zitten?
  • Wordt de leerling betrokken?
  • Ontvangt de leerling alle informatie?
  • Zijn de blikken, opmerkingen en bijnamen gestopt?
  • Is het gedrag verplaatst naar online omgevingen?
  • Zijn projecttaken eerlijker verdeeld?
  • Durft de leerling weer deel te nemen?
  • Zien verschillende docenten dezelfde verbetering?
  • Is de groepsnorm werkelijk veranderd?

Een school heeft een wettelijke verantwoordelijkheid om te zorgen voor sociale, psychische en fysieke veiligheid, de veiligheid van leerlingen te volgen en pestgedrag tegen te gaan. (⁠Rijksoverheid)