Dit zeggen tieners over pesten | Stop Pesten NU

084-0035994

Dit zeggen tieners over pesten

“We hebben jullie nodig om pesten te stoppen”

“We hebben jullie nodig om pesten te stoppen.” Deze boodschap geven 1200 leerlingen van het vijfde en zesde leerjaar aan volwassenen in een online onderzoek van Yeti, het tienerblad van Klasse. Het onderzoek liet de kinderen voor het eerst zelf aan het woord. Pesten door de bril van daders, slachtoffers én omstaanders.

1. Tieners weten niet wat pesten is

In het onderzoek mochten de tieners hun mening geven over enkele pestsituaties: is dit ruziemaken, plagen of pesten? Pesters schatten deze pestsituaties opvallend minder goed in dan niet-pesters.

Ze onderschatten de impact van hun pesterijen en zien bovendien niet hoe slecht een slachtoffer zich voelt. Omstaanders onderschatten dan weer het verdriet van pester-slachtoffers en de boosheid en schaamte van alle pesters.

De pesters weten meestal ook niet waarom ze pesten, buiten ‘zelf eerst gepest worden’ en ‘iemand niet kunnen uitstaan’. Ze pesten kinderen omdat ze anders zijn, opdat zij verdrietig of boos worden en omdat ze weinig vrienden hebben. Slachtoffers benadrukken dat ze niet gepest worden omdat ze anders zijn. Zij denken vooral dat pesters het leuk vinden om te pesten.

Kinderpsycholoog Marjan Gerarts: “Dit bevestigt hoe belangrijk het is dat kinderen elkaar leren begrijpen. Enkel zo kunnen ze de mythes over elkaars gevoelens en motieven doorbreken. Het is bijvoorbeeld een goede oefening om kinderen geregeld te vragen om zich in te leven in een andere persoon. Dat kan in allerlei situaties, niet enkel bij pesterijen. Hoe voelde de voetballer zich toen hij die penalty miste? Waarom reageert de mama in dit verhaal op die manier? Opvoeders hebben daarin een sleutelrol, want op jonge leeftijd maken kinderen die associaties niet zelf.”

2. Helft van de tieners wordt gepest

50 procent van de tieners in het onderzoek wordt minstens ‘af en toe’ gepest. Toch zegt slechts 22 procent van de Vlaamse tieners af en toe iemand te pesten.

Pestdeskundige Gie Deboutte: “Op het eerste gezicht lijkt er iets mis met deze cijfers. Maar kinderen die in de pestende rol zitten, hebben de neiging om hun daden te minimaliseren. Ze merken pesterijen op bij anderen, maar lijken niet te beseffen dat ook hun eigen gedrag kwetsend is. Omgekeerd zien we dat slachtoffers veel minder relativeren. Zij gaan zelfs eerder ‘overrapporteren’. Het is dus belangrijk dat er op school ondubbelzinnige definities bestaan voor ruzie, plagen en pesten. En het is aan de leraar om de kinderen dit inzicht bij te brengen.”

3. Eén op de zeven tieners is zowel pester als slachtoffer

Gie Deboutte: “Leraren moeten ook beseffen dat pestkoppen belang hechten aan status en die proberen te verkrijgen door te pesten. Laat ze eens scheidsrechter zijn bij een spel of wedstrijd op de speelplaats, de boeken verzamelen voor de bib, zorg dragen voor een klasgenoot. Zo kunnen ze hun status op een positieve manier versterken.”

Marjan Gerarts: “In veel gevallen gaat alle aandacht naar het slachtoffer. Dat kind is gepest en moet geholpen worden. Een logische reactie én prioritair, maar vergeet de pester of het pester-slachtoffer niet. Hij heeft dan wel een grote mond, maar daarom zit hij nog niet goed in zijn vel. Het is niet simpel om verder te kijken dan zijn daden, maar je moet echt op zoek gaan naar de reden van het pestgedrag.

Gie Deboutte: “Bij pesterijen spreken we vaak van pestkoppen, gepesten en omstaanders. Het is gevaarlijk om met zulke etiketten te werken. Een op de zeven leerlingen is namelijk zowel pester als slachtoffer. Zij vragen een specifieke aanpak. Vaak zit er iets achter het pestgedrag en is het een manier om frustraties te uiten. Bovendien krijgen pester-slachtoffers heel wat te incasseren van wie hen pest. Zij moeten de pesterijen verwerken, maar ook anders leren omgaan met hun boosheid en angsten.”

Op basis van hun antwoorden plakten de onderzoekers dit ‘pestprofiel’ op tieners:

  1. 6% pesters
  2. 15% pester-slachtoffers
  3. 34% slachtoffers
  4. 50% omstaanders

4. Ze willen meer aandacht voor pesten op school

Gie Deboutte: “Pesters zeggen vaker dan niet-pesters dat er gepest wordt op school, dat er geen regels of straffen zijn rond pesten en dat hun school te weinig aandacht besteedt aan pesten. Ik vermoed dat zij daarmee hun eigen gedrag willen minimaliseren. Ze wijzen bijna met de vinger naar anderen: ‘Wat ik doe valt best mee, maar kijk eens hoe vaak zij pesten’. Een andere verklaring is dat ze pesten als normaal beschouwen. Ze maken misschien deel uit van een groepje pestkoppen en denken: ‘Zo gaat het er hier nu eenmaal aan toe’.”

45 % van de leerlingen zegt dat er op hun school wordt gepest zonder dat de leraren het weten
31% wil dat hun school meer aandacht besteedt aan pesten
76% van de kinderen zegt dat er op school afspraken en regels zijn over pesten
60% vertelt dat er op school of in de klas straffen staan op pesterijen, maar een kwart heeft hier geen idee van

5. Enkel een liedje zingen tegen pesten helpt niet

De tieners vragen duidelijke regels en afspraken die iedereen kent en naleeft. De helft zegt dat praten niet helpt, straffen wel. Pestcampagnes, zoals de ‘Move tegen pesten’ of een liedje zingen, helpen volgens twee derde van de leerlingen ook niet, hoe goed bedoeld ook.

Pestslachtoffers hebben ook weinig vertrouwen in een goede afloop als ze met hun hulpvraag naar de leraar stappen. Ze hebben schrik dat het pestgedrag zo enkel nog verergert. Vooral in scholen waar een grote afstand is tussen leraren en leerlingen, leeft die vrees. Knuffels en huisdieren zijn voor slachtoffers het eerste en veiligste aanspreekpunt. Als vertrouwenspersoon kiezen vier op de vijf kinderen voor hun ouders. Leraren komen op de tweede plaats, gevolgd door vrienden.

Marjan Gerarts: “Kinderen willen heel graag praten over wat ze meemaken. Toch zijn ze bang om dit met volwassenen te doen. Hun voornaamste zorg is om wraakacties van de pesters te voorkomen. Dan lijkt het voor hen beter om hun verhaal te vertellen aan hun huisdier of knuffel. De vrees zit er nog te sterk in dat leraren hen niet geloven of boven hun hoofden gaan handelen.”

Gie Deboutte: “Het gaat hier vooral om vertrouwen, of eerder het gebrek eraan. Maar daar kan je aan werken. De band tussen leerlingen en leraren is veel sterker wanneer de school streeft naar openheid, veiligheid en een sfeer van verbondenheid. De drempel om het pestprobleem te melden ligt zo al een stuk lager. Bovendien voelen de kinderen zich beter in zo’n positieve sfeer. Dan gaan pestkoppen ook minder snel op zoek naar slachtoffers. Wat niet wil zeggen dat er in zulke scholen niet wordt gepest. Leraren moeten nog steeds de kans krijgen om zich bij te scholen over de complexiteit van pestproblemen. Zo kunnen ze pesterijen sneller detecteren en weten ze hoe ze de verschillende soorten leerlingen moeten benaderen. Ik roep scholen op om hier sterker op in te zetten.”

Cijfers pesten

Bron Klasse.be

Tip van de redactie

Tip van onze redactie met interessante informatie over pesten en online pesten (cyberpesten):